Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onjuist. Het is een pantheïstische verflauwing der grenzen .Het wordt door de H. Schrift met geen woord geleerd. Het is de aard van een ware menschelijke natuur om juist niet alomtegenwoordig te zijn. Dus had de Luthersche kerk gelijk, dan wasT^ daarmede de menschelijke natuur feitelijk geloochend ; ze was dar^fl meer dan menschelijk geworden.

Dat de beide naturen overigens wel vereenigd zijn in één persoon is van het hoogste belang voor alle gemeenschap met God en voor heel het terrein des natuurlijken en stoffelijken levens. Het is bewijs, dat er tusschen God en schepsel wel onderscheid, maar toch geen tegenstelling bestaat.

Het is de grondslag van met Go 1 gemeenschap te kunnen hebben, en heel het natuurlijk leven voor God op te eischen.

HOOFDSTUK XIV.

DE AMBTEN VAN DEN MIDDELAAR.

De Middelaar draagt den naam Christus om daarmede aan te duiden, dat Hij van God gezalfd is tot Zijne bediening. Want Christus beteekent Gezalfde, in het Hebreeuwsch Messias. In het O. Testament werden gezalfd: profeten, priesters en koningen, die daarin voorbeelden van Christus waren. De zalving beduidde voornamelijk deze twee zaken : verordineering en bekwaammaking.

De zalving was het teeken van de afzondering tot het ambt, en van de Geestes-bekwaming tot het werk waartoe dat ambtriep.

Dit nu geldt ook van den Christus.

Hij is van den Vader vooreerst tot Middelaar uitverkoren. Wij zijn verkoren om zalig te worden, Hij om zalig temaken. Hij wordt daarom de knecht Gods genoemd, zie Jesaja 42 : 1, vgl. Hebr. B : B.

Ook is Hij tot het groote werk waartoe de Vader Hem begeerde door den H. Geest bekwaamd ; om dit werk te volbrengen in gewilligheid en volkomenheid.

Deze bekwaammaking des Geestes betreft alleen Zijn menschelijke natuur; daar in de Goddelijke natuur krachtens hare volmaaktheid geen bekwaaVnmaking kan noch behoeft plaats te vinden.

In het O. Testament vinden wij wel de voorbeelden van deze zalving, maar Christus gaat boven al die vorige profeten en priesters en koningen uit.

Sluiten