Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maals zijn tweeërlei: vooreerst het bevel des Heeren: „doe dat tot Mijne gedachtenis;" ten tweede: onze behoefte aan de geestelijke voeding en gemeenschapsoefening met den Christus.

Ook hier geldt het, evenals bij den Doop (zie het formulier van den Doop) dat we dit sacrament toch niet gebruiken uit gewoonte of bijgeloovigheid.

Vandaar dat een ieder zichzelf recht beproeven moet.

Deze zelfbeproeving bestaat niet hierin, of we verzekerd zijn van onze bekeering tot God, of dat we op een tamelijk hooge trap van heiligmaking staan. Neen, het Avondmaal gaat juist uit van de veronderstelling onzer geestelijke ellende, kommer en tekort, van onze schuld en verdoemelijkheid ; van den twijfel en de onzekerheid, waarmede het geloof wordt aangevallen.

De ware zelfbeproeving bestaat in drie stukken :

lo. Of wij onszelf mishagen vanwege onze zonden, en of die zonden ons voor Gods aangezicht waarachtig le,ed zijn.

2o. Of wij ons met onze schuld en zonde alleen op Christus en Zijne gerechtigheid verlaten, of er een geloovig uitvluchten is tot Hem, als den éénigen, noodzakelijken en algenoegzamen Borg.

3o. Of er een hartelijke begeerte is in ons hart, te strijden tegen ongeloof en zondelust, en in een godzaligen wandel te leven voor God en met den naaste.

Huichelaren en die zich niet van harte tot God bekeeren, eten en drinken zich een oordeel. Dit is niet de eeuwige verdoemenis, alsof er geen genade meer voor zoo een ware, maar een vermeerdering, eene groote verzwaring van hun schuld voor God.

Wanneer, op welken leeftijd, men Avondmaal mag vieren geeft de Schrift niet aan. Men mag het gebruiken, zoodra men zich omtrent de drie genoemde punten behoorlijk kan onderzoeken en het resultaat van dit onderzoek gunstig is. Maar dan is het voor ieder geloovige ook plicht om het te gebruiken.

HOOFDSTUK XXVI.

DE ZIEL NA DEN DOOD.

Voor een iegelijk onzer, begenadigd of niet, staat aan het einde des levens de poort des doods.

Het sterven komt wel steeds en gedurig en overal voor, het is den mensch gezet éénmaal te sterven; maar het is daarom

Sluiten