Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hemen, maar moest er een zeker deel aan laten zitten voorden arme.

Wie een akker voorbijging, die de zijne niet was, mocht er vrij van plukken zooveel hij voor zijn honger behoefde.

Kortom, er bestond een geheele reeks van dwingende bepalingen, die, ten einde het organisch verband in stand te houden, op het vrije beschikkingsrecht over iemands goed zeer ver gaande inbreuk maakten; om nu van tienden en andere lasten, van het vrijlaten van slaven, en van den plicht om hun bij de vrijlating allerlei meê te geven, niet te spreken.

Kan nu, met dit alles voor oogen, door óns, Antirevolutionairen, het standpunt worden ingenomen, dat naar hooger, heilig recht, in eone organische samenleving, aan elk individu het volstrekt vrije beschikkingsrecht over eigendom en beheer moet worden toegekend en overgelaten ? Of ligt er niet veeleer de duidelijke aanwijzing in, dat ter handhaving van de organische •' *" •" c' gem'eenschap, hétzij als adat, hetzij door beschreven recht, bepalingen tot gelding kunnen en moeten komen, die tegenover persoonlijk egoïsme, persoonlijk onverstand of persoonlijken onwil, den organischeü band der gemeenschap in stand houden?

Voor verkeer, buurschap, wijze van bouwen; brand- en watergevaar, hygiëne, en wat dies meer zij, geeft schier ieder dit toe. Doch dit alles geldt meer de gemeenschap als zoodanig, dan wel haar organisch karakter.

liet is daarentegen juist dit organisch karakter der gemeenschap, dat onzerzijds bijzondere overweging eischt, en dat bij het sociale vraagstuk zeer sterk op den voorgrond treedt.

Hier toch stuit men gedurig op het bezwaar, dat het particulier initiatief van den één, die het ten goede wil aanwenden, in botsing komt met het misbruik, dat door anderen van hun particulier initiatiefrecht gemaakt wordt.

De één hangt hier van den ander af. Wie kwnad wil, is concurrent van wie goed wil, en juist daardoor maakt wie kwaad wil de goede doorwerking van het particulier initiatief deibesten onmogelijk.

Tal van goede patroons zouden niets liever willen, dan voor hun werkvolk een verhouding in het leven roepen, die al hun behoeften bevredigde, en in vollen omvang kon realiseeren wat men in Amerika noemt a living wage. Maar dit kan niet, of de anderen moeten meê willen doen. En het is de onwil dier anderen, die aan de beteren zoo telkens het gebruikmaken juist van hun particulier initiatief tot het gewenschte doeleinde belet.

Moet dit nu maar zoo blijven? En is, als alle andere prikkel zonder uitwerking blijft, niet tenslotte de Overheid de geroepene,

Sluiten