Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om dezen onwil te breken, ten einde voor de instandhouding van het goede organisch karakter te waken?

Om dit nu te beoordeelen, dient een ieder, bij het uitgangspunt van zijn redeneering, klaar en duidelijk vast te stellen, of hij al dan niet erkent, dat de instandhouding van het organisch karakter van het maatschappelijk leven zekere beperking aan het individueele beschikkingsrecht over eigendom en beheer van 't goed oplegt.

III.

Overheidsplicht.

Gemeenlijk spreekt men bij sociale vraagsl ukken van den rechtsgrond voor de inmenging der Overheid, en tot op zekere hoogte bestaat tegen het gebruik van deze terminologie geen overwegend bezwaar.

Toch zij men voorzichtig.

Overheid en particulier staan in het sociale vraagstuk niet tegenover elkander als twee partijen in rechten. De Ovei'heid vraagt niets voor zich, noch ook ten behoeve van een deel der bevolking, dat tot haar in geprivilegieerde betrekking staat. Veeleer is de Overheid van nature geneigd Gods water over Gods akker te laten loopen, en zich de rompslomp der sociale bemoeiing niet op den hals te halen. Eerst met ongelooflijke moeite heeft men ook ten Onzent de Overheid zóó kunnen prikkelen, dat ze eindelijk tot handelen,en clan nog tot zeer langzaam handelen, is overgegaan.

Niet het recht maar de plicht moet daarom hier op den voorgrond staan. De vraag, waarvoor men sta,at, is allereerst: van welken plicht de Overheid zich heeft te kwijten, zal ze haar Overheidstaak naar hooger eisch vervullen.

We weten wel, dat er ook een geestesrichting is, die den Staat als staat groot in macht zoekt te maken; die in den Staat het hoogheilige ziet, waarvoor alles moet buigen; ja, die in den Staat de monsterverschijning eert, die alles moet opslorpen. En dan natuurlijk heeft al wat nog selfrespect bezit, aan zulk een zichzelf bedoelende, en alles voor zichzelf opeischende Staatsidee tot het uiterste weerstand te bieden.

Maar dit geldt niet, zoo er sprake is van een Overheid, die regeert bij de gratie Gods, en zich alzoo aan Zijn wil en last gebonden weet.

Tegenover den lofzinger van de Staat-apotheose, zegt een vrij burger: „Wat vermeet ge u? Wat recht hebt ge mij van mijn

Sluiten