Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de maatschappij geboren. Ze hebben dien gevonden. Die toestand is gegroeid. En 't zijn allerlei factoren, van menschelijke wilkeur onafhankelijk, die, geheel afgezien van gril en wil, dien toestand zoo en niet anders doen zijn. Natuurlijk vergroeit die toestand ook, maar dit gaat in den regel zeer langzaam toe, en zelfs de meest in het oog loopende wijziging laat toch altoos het beenderengestel onaangetast. Het skelet blijft wat het is. Al wat organisch bestaat, is door een macht boven en buiten den mensch in zijn wezenstrekken vastgelegd.

Het is er mee als met ons lichaam en onze kleeding. Het lichaam is organisch, de kleeding mechanisch. En daarom kan wel die kleeding, niet 't lichaam in zijn wezenstrekken veranderen, en zelfs het kleed ontvangt van het lichaam in 'hoofdzaak zijn vormbepaling.

Juist dit organisch gebonden zijn van het individu in het organisch maatschappelijk verband, maakt den absoluut-vrij en en geheel geïsoleerden mensch tot een hersenschim. Hij bestaat niet, en ieder die in het leven optreedt, is op allerlei wijs in zijn vrij beschikkingsrecht over zijn persoon, zijn woord, zijn daad, zijn gang, zijn tijd, zijn goed en geld beperkt en gebonden.

Juist zooals 't met de ledematen van ons lichaam is, zoo ook is het met ons als leden in de maatschappij. De leden van ons lichaam, onze organen en zintuigen zijn onderworpen aan ons hoofd, en afhankelijk van elkander. En gelijk de apostel dit toepaste op de gemeente van Christus, evenzoo is ditzelfde beeld steeds toegepast op het maatschappelijk leven in het volksgeheel. Organisch w7il hier zeggen, dat in het volksgeheel de maatschappij als een lichaam, een corpus, een stuk levend organisme bestaat.

Wie nu in zulk een maatschappij, hoe ook, optreedt, is uit den aard der zaak op allerlei wijs in zijn individueele vrijheid beperkt. Al aanstonds heeft hij zich te storen aan en te schikken naar allerlei traditiën, gewoonten, usantiën, vormen van fatsoen en welleven; en wie dat niet doet wordt een maatschappelijke exlex en gaat sociaal zedelijk-dood.

Zoo ook moet hij ergens wonen, en door te gaan wonen ziet hij zich nogmaals beperkt, doordien hij zich nu schikken moet naar allerlei gemeentelijke bepalingen en regelingen, en evenzoo naar plaatselijke gebruiken.

Letterlijk niets kan hij doen, waardoor hij met anderen in contact komt, of er gaat telkens weer een stukje van zijn individueel beschikkingsrecht af. Alleen kan hij niet voort en heeft hij geen leven; hij moet, om meê te leven, lid worden van dit of van dat, of ook zelf een nieuwe associatie van

Sluiten