Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weduwen en weezen, noch voor werkloosheid behoefde hij ook maar iets bij te passen.

Doch neem daar nu tegenover een ander patroon, die 't ongeluk heeft, dat er veel zieken onder zijn arbeiders komen; dat er maanden zijn dat hij geen werk voor zijn volk heeft; die zijn oude werklieden aanhoudt, tot ze invaliede of te oud worden; die er veel sterfte onder heeft, en weduwen en weezen overhoudt, — dan natuurlijk komt op hem al de last neder, en moet hij óf zijn werkvolk ongeholpen en onverzorgd laten, öf zooveel bijpassen, dat 't niet te betalen is en heel zijn zaak er onder bezwijkt.

Maar laat nu alle patroons saam de kleine en groote risico's onder elkaar omslaan en gemeenschappelijk dragen, dan natuurlijk betaalt ieder mêe; doch juist omdat er dan voor en door all&n betaald wordt, is de premie tot op een vierde en minder geslonken, en wordt betalen mogelijk.

Het wordt dan niet elk patroon apart en ieder voor zich, maar alle patroons saam en voor elkander. En juist dat gemeenschappelijk maken van aller lot, maakt dat niemand te zwaar gedrukt wordt, en dat toch, waar nood komt, een ieder wordt geholpen.

En geheel ditzelfde geldt ook voor de werklieden.

Neemit ge elk werkman apart, dan is er geen helpen mogelijk. Moest elk werkman op eigen risico zich zelf helpen bij ziekte, invaliditeit, ongeval en ouderdom, dan zou elk werkman een som moeten sparen zóó hoog, dat er aan geen kwijten van het bedrag ook maar van verre te denken viel.

Er zou door de werklieden dan ten minste viermaal zooveel moeten betaald worden, en in gevallen van weinig ziekte, lang leven, late invaliditeit, en ontstentenis van ongeval zou hun geld oploopen, en ten slotte aan de erven komen.

Maar neem nu ook hier weer de gezamenlijke werklieden als lotgejjieen, als saam één corps vormende, als saam lijdende, en saam voor elkander verantwoordelijk staande, zoodat de gezonde meebetaalt voor den zieke, de jonge meebetaalt voor den oude, zoodat ook hier alle risico's op een hoop worden geworpen, dan betalen allen de premie, maar trekt slechts een deel er het voordeel van.

Er komt toewijding, er komt opoffering, er komt lotgemeenschap, uit saamhoorigheid voortvloeiende. Men is zelf gerust, want komt de nood, dan wordt men geholpen; en men maakt anderen gerust, door geld te betalen waarvan men vooruit weet, dat men er misschien zelf nooit eenig voordeel van trekken zal.

Een vrije, maar georganiseerde liefde. Een liefde, niet zoo bedoeld, maar, zij 't al uit egoïsme opkomend, toch beginsel ii}

Sluiten