Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den troost , dien Hij hun schenkt, aan de liefelijke woorden, die Hij hun influistert, — aan Zijne genade, waarin Hij hun bijstaat in al hunne zwakheden; want Hij blijft bij hen en zal in hen zijn. Daarom dan, omdat deze Geest in hen is en in hen blijft, blijven zij liggen aan de voeten huns Hoeren, ook dan, wanneer zij geslagen worden, en kruipen Hem achterna, gelijk een Kaleb, d. i. een hond, zijnen heer. Want dit ligt diep in hunne ziel: „Ik laat IJ niet los, Heere, tenzij Gij mij zegent!" De liefde Gods heeft hun hart vervuld, zoodat zij met Job spreken: „En al zoude Hij mij dooden, zoo zal ik nochtans op Hem hopen!" En in deze hoop worden zij niet te schande,— zij komen door de woestijn henen, — zij gaan met Jozua-Jezus in het hemelsche Kanaan. Zij zijn het Israël naar Geest; zij hebben met God en met menschen geworsteld, zij hebben zich vorstelijk gedragen en overtnocht. Zij zijn uit. God geboren, en zij overwinnen de wereld, want zij gelooven, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God.

Mijne geliefde broeders en zusters! Zullen wij ons niet beproeven, of deze Geest, die met Kaleb was, ook met ons is? Of zijn wij gelijk aan die verspieders, die zeiden: „Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken , want het is sterker dan wij, en de steden zijn vast en zeer groot; wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze oogen, alzoo waren wij ook in hunne oogen"? Of zijn wij gelijk aan hen, die naar deze verspieders hoorden en versaagd werden ? Ook in de Openbaring, geschreven door Johannes, lezen wij van de versaagden, die niet ingaan in de stad Gods. — Ach, wij zijn zoo geneigd, als wij de Schrift lezen, ons aanstonds te rekenen tot diegenen, met welke het goed staat, en ons zeiven niet te oor-

Sluiten