Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Geest des geloof's komt over hen, zoodat zij uitroepen met den 1]8den Psalm: „Doet mij de poorten der gerechtigheid open: ik zal daardoor ingaan; ik zal den Heere loven. Dit is de poort des Heeren , door welke de rechtvaardigen zullen ingaan. Ik zal Uloven, omdat Gij mij verhoord hebt en mij tot heil geweest zijt!"

Van deze poorten nu, in welke de Heere Zelf gericht houdt, — want Hij opent, en niemand sluit, Hij sluit en niemand opent, — van deze poorten heet het in onzen Psalm, vs. 2: „De Heere bemint de poorten van Zion boven alle woningen van Jakob." Jakol» is des Heeren uitverkoren volk, Zijn eigendom. Het is het vólk, dat bij den Heere aanhoudt en met Hem worstelt om Zijnen zegen. En het blijft waarachtig: „Welgelukzalig is hij. die den God Jakobs tot zijne hulp heeft." De Heere heeft voor dezen Zijnen Jakob woningen bereid, — woningen hier op aarde, maar bovenal eene woning daarboven in den hemel. Hij wil de Zijnen daarboven bij Zich in Zijne heerlijkheid hebben. Zij zullen daar zijn, waar Hij is. Zoo geeft Hij hun dan ook het verlangen in 't hart, dat wij uitgesproken vinden o. a. in den Sisten Psalm: „Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen! Mijne ziele is begeerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vleesch roepen uit tot den levenden God. Zelfs vindt de musch een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongskens legt, bij Uwe altaren, Heere der heirscharen, mijn Koning en mijn God."

De kinderen Israëls trokken telkens op uit hunne woningen naar Jeruzalem, om dan in te gaan door de poorten van Zion en te aanbidden in het huis des Heeren. Daar wilde de Heere onder hen wonen, — daar met hen spreken, — daar werden zij gesterkt, om te volharden in het geloof, den goeden strijd te

Sluiten