Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(101)

beroepingstij d met zijn jeugdigen vriend Budding is //werkzaam geweest".

//Werkzaam" in zijne gebeden.

//Ik mocht", zoo zegt hij, "biddende blijven aan den troon, dat de Heer mocht toonen, met het hart over te buigen van den beroepene, dat het de door Hem bepaalde persoon voor de gemeente te Biggekerke was". En mijne bede heeft de Heer verhoord. Hem daarvoor de eer. En onder dit alles gevoelt de man zich het "onwaardig" werktuig, alleen gebruikt, om den '/man voor Biggekerke" aan te wijzen.

Yoorts spreekt uit dit schrijven eene hartelijke sympathie voor den jeugdigen candidaat.

Als een vader waakt hij voor zijne belangen en beveelt hem den Middelburgschen vrienden aan.

De jeugdige leeraar heeft behoefte aan leiding. Doch niet alle verkeer is hem even nuttig. .Licht zouden verkeerde vrienden misbruik weten te maken van zijne bekende openhartigheid.

"Breng hem", zoo schrijft de Amsterdamsche uitgever, //breng hem onder zulke van den Heer geleerde, die kennis van zaken hebben en in de schoole van den Heere Jezus Christus geoefend zijn, die met wijshijd en voorzigtighijd weeteu, wat er toe noodig is, om zulk een jeugdig mensch goed te leiden, en wien op het harte weegt de indruk , dien het (eene goede vorming) maken kan op zijne geheele loopbaan als Herder en Leeraar". x)

En in dien toon is ook het vriendelijk schrijven, dat hij //uit de volheid zijns harten" x) richt tot de broeders te Biggekerke.

Zijne beste wenschen zijn voor leeraar en gemeente. //De Heer der kerke brenge hem op den door Hemzelf bepaalde(n) tijd met een vollen, genadige(n) zegen des Heiligen Evangeliums

i) Zie brief van J. H. den Ouden aan Noem (18 September 1834) en aan den Eerwaarden Kerkeraad van Bèkerke (18 September 1834).

Sluiten