Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(111)

luidruchtig genoeg kon toegaan, nam in het eerste jaar van Budding's verblijf merkbaar af. x)

VII. Budding's Afscheiding

VAN DE NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.

Er kon onder de leiding van denijverigen, ernstigen, jongen leeraar veel goeds verwacht worden voor de kleine gemeente van Biggekerke. 3)

Toch is veel van dit goede uitgebleven.

De toestand van de //vaderlandsche kerk1 deed ook in Zeeland zijn invloed gevoelen. Velen begonnen te gelooven, '/dat 's Heeren tijd gekomen was", om zich //af te scheiden". Tot die velen behoorde ook weldra de dominee van Biggekerke. Verschillende oorzaken hadden daaraan meegewerkt.

Niet slechts de nawerking in de gemeente van Van Ehee's prediking en vurig verzet, maar voorzeker ook de veelvuldige omgang met zijne meerendeels de Afscheiding genegen kerkeraadsleden en Middelburgsche vrienden, zijne sterk afwisselende gemoedsstemming 3) en zijn onverzettelijk, onbuigzaam karakter , niet het minst ook de strenge gerichtsoefening over de overtreders der kerkelijke reglementen, waarmede Budding evenmin dweepte als met de Evangelische gezangen, brachten den 25-jarigen jonkman in benarde positie voor zichzelven. Meermalen dacht hij er zelf ernstig over, om zijn ambt neer

Als het daer de peerd-merckt was;

Wat en hoeveel soetigheydt,

Ondermengt met nuttigheyt,

Wat vermaecking, wat geklueht Diend' ons doen al voor genucht I"

1) In 1834 reden er nog zeven speelwagens van het kleine dorpje, in het volgende jaar slechts twee.

2) Ze bestond destijds (1835) uit 197 lidmaten. De burgerlijke gemeente telde + 460 zielen.

*) In Augustus leed Budding „geestelijke verlatingen". Hij gevoelde zich „geestelijk dood". Zoo kon hij niet bidden, niet prediken. In verslagenheid cn moedeloosheid zat hij, waar hij zat. „Buiten hope". . . .

Sluiten