Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat Hij dat zegt, antwoordt Zijn volk — „LoAmmi", d. i. niet Mijn volk, — tot hetwelk „Ammi" d. i. Mijn volk, gezegd was: „Gij zijt onze God". O, dit volk vindt in zichzelven geen grond, om den Heere zijnen God te noemen. Het erkent dit geheel te hebben verzondigd. Evenwel vindt het vrijmoedigheid daartoe, omdat de Heere, trots zonde en schuld, toch zegt: „Ik ben de Heere uw God".

Dat is groot, dat is wonderlijk, dat de Heere Zich aldus noemt, en zoo zegt dan Zijne gemeente: „Heere, noemt Gij U zóó, — dan zullen wij het wagen en U noemen „onzen God", en ons daarin verblijden".

Dan toont de Heere ook, hoe Hij dat wil hebben verstaan, als Hij tot Zijn volk zegt: „Ik ben de Heere uw God". Hij wijst op Zijnen Christus, Zijnen Immanuël; wijst daarop, hoe in Hem alle onze ongerechtigheid verzoend is. Is dat niet een heerlijk Woord'? Dit Woord zegt verder: „De toorn is gedragen, en indien de Heere ook op u toornt, zoo is toch dit Zijn Woord: „lk zal niet meer op u toornen, noch u schelden". Dit Woord zegt tot ons, die liet erkennen, dat wij als vleesch, als verdord gras niet in staat zijn Gode vruchten te brengen: „Zing vroolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vroolijk gezang en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen der eenzame zijn meer dan de kinderen deigetrouwde, zegt de Heere". Dit Woord onzes Gods zegt tot ons in onze dagelijksche nooden: „Werpt uwe bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u". En wanneer het schijnt, dat de Heere tegen ons is — nu Jakobs naam werd Israël. Hij had overmocht. En voorts: „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen; maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere, Uw Ontfermer".

Sluiten