Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afwijken, en vooral niet als Dr. Bahler", maar wie zichzelven kent, zegt: „o God, wees mij, zondaar, genadig''.

En daarom hebben mij twee dingen vooral smartelijk aangedaan. Vooreerst, dat men heeft durven spotten met onze oproeping tot verootmoediging en in 't algemeen met vergaderingen, protesten enz., in zake Bahler. En ten tweede, dat in de woorden van sommigen, die wèl op reformatie der Kerk aandrongen, niets of althans veel te weinig werd bespeurd van de verbrijzeling der ziel, die daar verslagen neerligt voor Gods wet. Tot de eerstgenoemden zouden wij willen zeggen: hoe zijt gij zoo stomp van zinnen, dat gij zoo- niets van onze kerkelijke ellende ziet en gevoelt, dat gij den gewetenskreet der Gemeente niet kunt onderscheiden en haar met een lichtzinnig lachen begroet? En de in de tweede plaats genoemden zouden wij willen toeroepen: Hoe, ziet gij niet, dat gij met uwe menschelijke, willekeurige, kunstmatige, politiek-berekende middelen de breuke van Sion zoekt te heelen op het lichtst, denkt toch aan wat geschreven staat: „Tot de wet en tot de getuigenis* het zal zijn, zoo zij niet spreken naar dit woord, dat zij geen dageraad zullen hebben."

Inderdaad, M. H., wij zullen allen voor Gods wet schuldig moeten uitgaan, wij zullen allen met den moordenaar aan het kruis „in hetzelfde oordeel" moeten komen, wij zullen allen als „nooddruftigen" tot den Heere moeten leeren roepen, zal er eenige verwachting zijn. Maar dan ook geldt ons de belofte van den 693ten Psalm: „Gij, die God zoekt! ulieder hart zal leven. Want de Heere hoort de nooddruftigen en Hij veracht zijn gevangenen niet." Wij nu kunnen elkander deze dingen slechts aanzeggen, maar daartoe zijn wij in deze kritieke dagen dan ook verplicht. God geve ons die ware verootmoediging, die ware gestalte van „de armen van geest" uit genade om Zijns Zoons Christus wil.

De eisch van verootmoediging dient dus in de eerste plaats gesteld te worden. Zonder dat is al het andere ijdel en zal de ware eenheid der Kerk ook met de op het oog beste middelen nooit worden bereikt. W<ij hebben haar daarom aanstonds voorop willen stellen, hoewel straks br. Troelstra hierover nog nader tot u

Sluiten