Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Descartes of Cartesius, geboren 1596, de eigenlijke vader der nieuwere wijsbegeerte, naar hem de Cartesiaansche wijsbegeerte genoemd, had tot lijfspreuk: „Men moet twijfelen aan alles" en: „Ik denk, dus ben ik." Natuurlijk loopt de nieuwe wijsbegeerte niet juist van af Cartesius optreden in een enkel spoor; vele afwijkingen zelfs vertoonen zich; velen waren dicht bij het rationalisme, anderen meer attheistisch gekleurd, maar ze hebben allen de menschelijke rede tot grondslag; al wat zich aandient moet verschijnen voor de rechtbank der rede. De Pilatusvraag: wat is waarheid? moet door den mensch, zonder Goddelijke hulp, worden beantwoord. De mensch wil hier in plaats van God oordeelen over alles; de mensch boven alles verheven; volkomen vrij tegenover elke waarneming in of buiten hem; vrij ook tegenover God om Hem te beoordeelen en elk Zijner woorden te wegen en, zoo men dit goed acht, te licht te verklaren.

Dit nu schijnt velen mooi, doch is in de praktijk onhoudbaar; de menschelijke geest toch is niet volmaakt, maar wel zéér gebrekkig; hij was groot, maar heeft zijn grootheid verloren; elk mensch in het bijzonder en de menschheid in haar geheel, is tot volmaakt oordeelen niet in staat en allerminst geschikt en bevoegd om God voor zich te dagvaarden; overeenstemming onderling is er in het geheel niet, wel oneenigheid en disharmonie; wat den eene bouwt, breekt de ander weer af; voordat de nieuwe bewoners zich er in thuis vinden, begint zich gewoonlijk aan zoo'n wijsgeerig gebouwtje, verzakking te openbaren, en twee, drie anderen zijn weer vol inspanning bezig op eigen gelegenheid een betere (?) op te trekken, doch om ook dezen even later „onbewoonbaar" verklaard te zien.

Zoo gaat het als de mensch zich niet schikken wil naar den grooten bouwmeester, die niet alleen bekwaam-

Sluiten