Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Waar heeft Jezus Zijne Heerlijkheid geopenbaard? Joh. 2 : 1—11.

Op de bruiloft te Kana, waar het water in wijn werd veranderd.

Het geloof van Maria spreekt zich uit in den wenk: „Zij hebben geen wijn," de wijsheid en teederheid van Jezus in Zijn antwoord: „Vrouw, wat heb ik met u te doen? Mijne ure is nog niet gekomen," vrg. 19 : 26.

Maria beveelt de dienaren te doen, wat Jezus hun zegt. Zes steenen watervaten worden met water gevuld, het water in wijn veranderd, en de wijn door den hofmeester gekeurd, v. 6, 7, 9.

Na het feest bleven de discipelen met Jezus eenige dagen te Kapernaiim, v. 12.

7. Waar is Jezus als de verlosser opgetreden? Joh. 2 :13—25. Op het Paaschfeest, toen ieder huisvader het zuurdeeg verwijderde, heeft Jezus het huis Zijns Vaders gereinigd en den voorhof der heidenen, die in eene markt was herschapen, tot eene plaatse des gebeds voor alle volken gemaakt, v. 14, 15.

Dit was het Messiaansch teeken, dat Mal. 3:1, 3 deed verwachten.

Wat beteekende de vraag: Welk teeken toont Gij ons, dat Gij deze dingen doet? De Joden verwachtten de openbaring van de Heerlijkheid Gods (Luk. 11 : 29).

En wat is de beteekenis van het antwoord: „Breekt dezen tempel af, en in drie dagen zal Ik denzelven weder oprichten"? De Joden waren bezig, Israël, den tempel, den Messias, af te breken, maar zouden nu langs dien weg zoowel Zijne Heerlijkheid zien, als het doel van Zijne komst leeren verstaan, om den waren tempel op te richten, v. 19, vrg. Matth. 26 : 64.

8. Hebben de Joden in Hem een valschen Messias gezien? Zij konden Hem niet verwerpen zonder Johannes en zijn

doop te veroordeelen, Matth. 21 : 24, 25, en hielden Hem daarom voor „een leeraar van God gekomen", maar alleen Nicodemus kwam des nachts om meer licht te ontvangen, Joh. 3 : 1—21.

Jezus herinnerde Nicodemus aan den eisch van den Dooper, v. 11, vrg. v. 7. Men kon het Koninkrijk Gods niet ingaan en zelfs niet zien, zonder opnieuw geboren te zijn, v. 3, 5.

Hij verkondigde Nicodemus, dat Hij uit den Hemel was nedergedaald, v. 13, en moest verhoogd worden, gelijk Mozes de slang in de woestijn had verhoogd, v. 14. „Want alzoo lief heeft God de wereld gehad", enz., v. 16.

Sluiten