Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jezus was in een huis buiten het gebied van Herodes gegaan, Marc. 7 : 24, en wilde verborgen blijven, toen deze vrouw uit de landpale van Tyrus kwam, v. 21.

Haar misbaar dwong de discipelen haar voor te spreken, v. 23. Op de tegenwerping, dat haar het brood der kinderen niet toekwam, antwoordde zij: „De hondekens eten van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heeren," v. 27.

3. Welke wonderen heeft de Heer aan den noordelijken oever van de zee van Galilea verricht?

Hij genas een doove, die zwaarlijk sprak, en spijsde eene schare van 4000 man, die drie dagen bij Hem waren gebleven, met zeven brooden en weinige vischjes, Marc. 7 : 31 37, 8 : 1—9; Matth. 15 : 29—38.

1. Hij nam den doove terzijde, stak de vingers in zijne ooren, raakte zijne tong aan, zuchtte en sprak: „Effatha! en verbood de genezing ruchtbaar te maken, v. 33—36.

2. Ditmaal vulden de overgeschoten brokken 7 manden, v. 37.

4. Is Jezus lang in die streek gebleven ?

Hij is overgevaren naar Magdala, aan den westelijken oever, waar de Farizeën en Sadduceën Hem opnieuw om het hemelteeken vroegen, en Hij aanleiding had, over Bethsaïda, waai Hij een blinde genas, naar Caesarea Philippi te gaan, Marc. 8 : 9-26; Matth. 16 : 1—12.

1. De Farizeën hadden zich met de Sadduceën verbonden. Jezus verweet hun, dat zij wel het weêr wisten te voorspellen, maar de teekenen der tijden niet konden onderscheiden,

Matth. 16 : 4. ,

2. Hij waarschuwde Zijne discipelen tegen den zuurdeesem

der Farizeën en van Herodes, v. 15.

3. Hij leidde den blinde buiten het vlek, spoog in zijne oogen, en vroeg hem of hij zag. Daarna legde Hij de handen opnieuw op zijne oogen, en hij zag, v. 22—26.

5. Wat gebeurde er in de deelen van Caesarea Philippi? Nadat de" discipelen hadden gezegd, dat men Hem algemeen

voor Johannes den Dooper, Elia of één der profeten hield beleed Petrus op de vraag van Jezus: „Wie zegt gij, dat Ik ben?" dat Hij was „de Christus, de Zoon van den levenden God," waarop de Heer beloofde, op deze Petra Zijne Gemeente te zullen bouwen, en voor de eerste maal Zijnen dood en Zijne opstanding verkondigde, Matth. 16 : 13—20, 21—'-8; Marc. 8 : 27—30, 31—38; Luk. 9 : 22—27.

Sluiten