Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jezus was biddende, toen Hij de belijdenis van Petras uitlokte, Luk. 9 : 18. Wat heeft de Heer van deze belijdenis gezegd? „Vleesch en bloed heeft u dit niet geopenbaard," v. 17. Van de gemeente? „De poorten der hel zouden haar niet overweldigen."

Welken indruk heeft de aankondiging van het lijden op de jongeren gemaakt?

Petras nam Hem ter zijde en begon Hem te zeggen: „Heer, dat zal u geenszins geschieden."

De Heer heeft in hem den Verzoeker ontdekt, en zeide: „Ga achter mij, Satan, v. 22, 23.

Het kruisdragen, v. 24.

6. Is het woord des Heeren aangaande sommigen, die den dood niet zouden smaken, totdat zij den Zoon des menschen zouden hebben zien komen in Zijn Koninkrijk, vervuld? Matth. 16 : 28.

Petrus, Jacobus en Johannes zagen de hoogwaardige heerlijkheid op den berg (2 Petr. 1 : 16), toen Jezus van gedaante werd veranderd, en Mozes en Elia met Hem spraken over Zijnen uitgang te Jerusalem, Matth. 17 : 1—13; Mare. 9 : 2—13; Luc. 9 : 28—36.

"Wat zeide Petrus, toen hij, uit den slaap opwakende, dit zag? v. 4. Hoe luidde de stem uit den hemel? v. 5.

7. Wat wachtte hun aan den voet van den berg, waar de 9 discipelen waren achter gebleven ?

Een maanzieke knaap, een toonbeeld van ellende, een vader, die verbitterd was, omdat de discipelen van Jezus even machteloos stonden als alle anderen, en vijandige Schriftgeleerden, die hen om dezelfde reden aanvielen, Mare. 9 : 14—29; Matth. 17 : 14—21; Luk. 9 : 37—43.

Wat riep de vader uit, toen de schare op Jezus toeliep? „Heer! zoo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming bewogen, en help ons!" v. 22. En, nog eens, toen Jezus antwoordde: „Zoo gij kunt gelooven!"? „Ik geloof, kom mijne ongeloovigheid te hulp!"

8. Welke vraag wachtte Jezus te Kapernaüm?

Jezus was te Kapernaüm gekomen, niet als koning en profeet, maar als in het verborgen. Vandaar de vraag, die men tot Petrus richtte: „Betaalt uw meester de tempelschatting?" Matth. 17 : 24—27; Mare. 9 : 33 (Ex. 30 : 13; 2 Kron. 24 : 9).

Sluiten