Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Welk gebed heeft de Heer den discipelen geleerd ?

Het allervolmaaktste gebed, Matth. 6:9—13; Luk. 11 : 2—4 (Zie blz. 58).

Tegelijkertijd heeft Hij hen vermaand, niet te twijfelen aan de verhooring van het gebed, en deze vermaning o. a. opgehelderd door de gelijkenis van den vriend, die te middernacht, derhalve op eenen ongelegen tijd, 3 brooden vraagt en ontvangt, Luk. 11 : 5—8.

10. Wordt diezelfde waarheid nog elders aangedrongen ?

De gelijkenis van den onreehtvaardigen rechter, die eene weduwe recht doet, omdat zij hem lastig valt, vermaant tot volharding in het gebed, Luk. 18 : 1—8.

11. Wat heeft de Heer geantwoord, toen de Farizeën murmureerden , omdat Hij met tollenaren en zondaren at ?

Hij heeft tot hen gezegd, dat Hij gekomen was om het verlorene te zoeken, en in de gelijkenissen van het verloren schaap, den verloren penning en den verloren zoon, de bron van Zijne zoekende liefde in de goddelijke genade aangetoond, Luk. 15 : 1—32.

1. De herder verlaat de 99 schapen in de woestijn, om het ééne afgedwaalde te zoeken, v. 4—7, vrg. Matth. 18 : 12, 13.

2. De vrouw heeft 9 penningen over, maar zoekt den ééne, die verloren was. v. 8, 9.

3. De verloren zoon heeft het deel des goeds, dat hem toekwam, opgeëischt, en in een vergelegen land verteerd.

Hij keert terug, omdat hij niet in de gelegenheid is, zijn honger te stillen met den draf der zwijnen, dien hij begeerde. Hij hoopt, dat zijn vader hem als knecht zal aannemen, en —wordt van verre gezien, als zoon gekleed en met vreugde begroet; — alleen niet door den oudsten broeder, die de liefde des vaders niet deelt, en, zelfs toen hij met de gezindheid van een loondienaar zijne plichten vervulde, nooit heeft beantwoord, v. 11—32.

12. In welke gelijkenis wordt de vrijmacht van de goddelijke genade verheerlijkt ?

In de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard, die in de 3de, 6de, 9de en llde ure werden geroepen, en ieder éénen penning ontvingen, de eersten volgens afspraak, naar recht, de laatsten uit genade, Luk. 19 : 12; Matth. 20 : 1.

Sluiten