Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst den volgenden morgen (Dinsdag). Maar Hij kon op die vraag alleen antwoorden met de wedervraag: ,,Is de doop van Johannes uit God of uit de menschen c1

De Baad had het zich onmogelijk gemaakt, het recht van Jeziis te betwisten, Mare. 11 '■ 20—23; Matth. 21 . _) - , 11 "■ 20 : 1—8.

3. Is het bij deze wedervraag gebleven?

De Heer heeft de handelwijze der oudsten in de gelijken van de twee zonen gekenschetst, en het oordeel over hen en het geheele volk in de gelijkenis der booze ian^eden en lie koninklijk bruiloftsmaal aangekondigd, Matth. 21 . óz.

1. De ééne zoon zeide tot den vader: „Ik ga, Ileei! en ging niet; de andere weigerde te gaan en had later berouw.

Gene stelde de oudsten van Israël, deze de tollenaars en z daars voor, die zich op de prediking van Johannes hadden bekeerd-

'5 De booze landlieden weigerden met alleen de pacht voldoen, maar hebben de dienstknechten die haar'

gesmaad en, evenals den erfgenaam, die ten laatste kwam,

Sein°het antwoord, dat de Farizeërs gaven op de vraag, wat de Heer van den wijngaard den boozen dienstknechten zou , velden zij hun eigen vonnis, Matth. 21 : 33—46; Maic. 1- . Luk. 20 : 1—9.

4. Welke aanvallen had de Heer nog te verduren ? De oudsten zochten in het geheim naar de geschikte gelegenheid om Hem te dooden, en in het openbaar naar een middel om Hem in eenen strijd met de Romeinen of met de bestaande partijen te wikkelen, of in tegenspraak met ziclizelven

brengen.

Het eerstgezegde, in de vraag, of het geoorloofd was den Keizer schatting te betalen. Het volgende, toen de Sadduceen Hem vroegen, wiens vrouw de weduwe in de opstanding zou wezen, die achtereenvolgens met zeven broeders was gehuwd geweest. Het laatste, toen de wetgeleerde wilde weten, waUie voornaamste gebod was, Matth. 22 : lo—40; Mare. 1- . ,

Luk. 20 : 20—40 (vrg. Luk. 10 : 25 28).

5. Welke vraag heeft Jezus den Farizeërs in hunne verga-

de™- Indien de Christus Davids Zoo» is, hoe

n„S!t hTHem da'n sijn Heer?" Matth. 22 : 41-46; Mare. 12 : 35—37; Luk. 20 : 41—44.

Sluiten