Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat riep het volk?

„Zijn bloed kome over ons en onze kinderen," v. 24, 25. Toen liet hij Barabbas los. Hierop hebben de krijgsknechten Jezus gegeeseld, een purperen mantel omgedaan en met doornen gekroond, terwijl Pilatus beproefde, het leven van Jezus te redden, en Hem daartoe uitbracht, zeggendë: „Ziet, uw Koning!" Maar het volk riep: „Wij hebben geen koning dan den Keizer!" Joh. 19 : 4—16.

26. Wat lezen wij van Judas?

Hij bracht den prijs des verraads terug bij de Overpriesters, die hiermede een akker kochten tot eene begraafplaats voor de vreemdelingen, en heeft zich geworgd, Matth. 27 : 3 — 10; Hand. 1 : 18, 19.

27. Is Jezus toen uitgeleid om gekruisigd te worden?

Men heeft Hem Zijn eigen kleederen aangedaan, en Hem met twee misdadigers uitgeleid, Matth. 27 : 31—34; Mare. 15 : 20—23; Luk. 23 : 26—33; Joh. 19 : 16, 17.

Simon van Cyrene droeg het kruis achter Jezus, v. 21. Jezus zeide tot de weenende vrouwen: „Weent niet over mij, maar over uzelven en over uwe kinderen," Luk. 23 : 28.

28. Wat wordt ons aangaande de kruisiging medegedeeld ? 1°. Jezus is aan het kruis geslagen op Golgotha.

2°. Boven het kruis was een opschrift in drie talen: „Deze is de Koning der Joden!"

3°. Zijne kleederen werden door de krijgsknechten verdeeld. 4°. Hij werd tusschen de moordenaren gehangen, en door de wacht, zoowel als door de priesters en van het kruis bespot, Matth. 27 : 35—44; Mare. 15 : 24—28; Luk. 23 : 33 vv.; Joh. 18 : 18, 23 vv.

29. En de Gekruisigde zelf?

10. Hij weigerde de gal met myrre, Mare. 15 : 23. 2°. Eén der moordenaren bestrafte zijn medgezel en vroeg: „Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn," en werd begenadigd, Luk. 23 : 39—43.

3°. Hij droeg Zijne moeder op aan de zorg van Johannes, Joh. 19 : 25—27.

40. Toen de duisternis van drie uren voorbij ging, riep Hij uit: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" Daarna: „Mij dorst!" „Het is volbracht!" „Vader in Uwe handen beveel Ik mijnen Geest!" Matth. 27 : 45—50; Mare. 15 : 33—37; Luk. 23 : 44—46; Joh. 19 : 28—30.

De 7 kruiswoorden (Zie blz. 58).

Sluiten