Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook Mr. Siccama tot de conclusie, dat de Gereformeerde Kerken onder de Republiek nimmer het eigendomsrecht over kerkgebouwen of pastorieën of kerkelijke fondsen hebben bezeten. De Overheden kenden aan de Gereformeerden alleen het gebruik van de kerken en kerkelijke goederen toe, de Gereformeerden hadden er niet het minste recht op (Mr. S. a. w. p. 347—353). Mr. Siccama noemt dan ook Dr. Kleijn's bestrijding van de meening dat de Geref. Kerken eigenaars van de kerkgebouwen of kerkelijke goederen geweest zouden zijn, „zeer juist" (p. 356). En 't zelfde geldt van de pastoralia. Evenals de parochies, eigenaars der „kerkfabrieken" of kerkelijke fondsen, zelfstandige lichamen of rechtspersonen waren, zoo waren dit ook de pastorale beneficiën, deze „en niet eenige kerk (algemeene of plaatselijke) waren eigenaars der pastoriegoederen, die in rechtens relevanten zin door of ten gevolge der Reformatie aan niemand waren ontnomen en aan niemand waren geschonken; door de Reformatie waren zij niet opgeheven, enkel gereformeerd" (Mr. S. a. w. p. 489).

Deze resultaten van het jongste grondig onderzoek, resultaten die eenige omkeer brengen in de dusver heerschende beschouwingen, aanvaarden we. Toch wreekt zich hier een eenzijdigheid in het standpunt van Mr. Siccama, waarop we in den aanvang van ons opstel wezen, n.1. dat hij geheel en alleen de zaak beziet van de zijde van het burgerlijk recht; en niet of weinig oog heeft voor de andere zijde, waarvan de zaak ook bezien kan en moet worden n.1. van de zijde van het Gereformeerde kerkrecht. Zonder licht ook van die zijde (en dit kerkrecht werd toch door de Overheid, althans officieel erkend en geëerbiedigd) kan men niet tot een zuivere oplossing komen, maar moet men zich gedurig verwonderen, dat de magistraten zulke ingewikkelde en verwarde toestanden lieten bestaan en slechts halve of geene maatregelen namen. Hetzelfde eenzijdig standpunt neemt de heer Siccama in bij de bespreking van het recht der Overheid in de Reformatie en van de verhouding tusschen Overheid en Kerk. Hij oordeelt, dat de vraag: wie onder de Republiek de kerkelijke inrichting had te regelen, de Overheid of de Kerken zelve — „met het oog op de onzekerheid van wat onder de Republiek als positief recht gold" niet met stelligheid kan beantwoord worden (p. 264). Elders oordeelt hij, dat „de regelen der kerkelijke organisatie aan de Overheid hun bindende kracht ont-

Sluiten