Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel meer de plaatselijke Kerken waren, ecclesia parochialis is de plaatselijke Kerk; de 5 parochies te Utrecht waarop Mr. S. zich vooral beroept, worden door Voetius 5 „ecclesiën" genoemd (v. Beuningen a. w. p. 16). Er wordt ook gedurig gesproken van goederen behoorende tot de Kerk b. v. van Nederhorst (Mr. S. a. w. p. 530). Het argument, voor de zelfstandigheid der parochies tegenover de Kerken, n.1. dat ook niet-leden der Geref. Gezindheid lid van de parochie waren, omdat zij mee moesten opbrengen voor 't onderhoud van het kerkgebouw, heeft geen waarde, omdat deze contributie een belasting was, die de Geref. Overheid van alle burgers vroeg; zulke voorbeelden van resoluties der Staten voor de dorpen in 't onderhoud der dorpskerken treft men dan ook bij v- Beuningen voor Holland herhaaldelijk aan. Hoogstens zou men kunnen zeggen, dat men door de Overheid verondersteld werd lid der parochie (kerk) te wezen, daar het volk de Geref. religie beleed, en er slechts één Kerk erkend werd. Mr. S. zegt dan ook, dat „in den regel" „burgerrechtelijk de Geref. plaatselijke kerk als reorganisatie der oude parochie behandeld werd" (p. 372). Naar datzelfde reformatierecht, waarmee de Overheid de bestemming der geestelijke goederen veranderde overeenkomstig de gewijzigde religie, had zij ook de Geref. Kerken den rechtstitel als eigenaars der goederen, 't zij van parochie- of pastorie- of kosterie- of ander kerkelijk goed, kunnen en behooren te geven, 't Is dan ook niet geheel juist te beweren, dat de Overheid alleen als Geref. souverein de kerkgebouwen voor de Gereformeerden opende, omdat zij de ware religie beleden en dit niet deed uit erkenning hunner rechten; de Overheid deed het beide, èn als Geref. Overheid èn als, zij 't ook slechts zijdelingsclie, erkenning van het recht der Gereformeerden op de kerkgebouwen. En mij dunkt, het is niet moeilijk in het afzonderlijk administreeren, in het intact laten der pastoriegoederen en andere kerkelijke fondsen, een gelijke zijdelingsche erkenning van het recht der Gereformeerden op de goederen, behoorende tot den localen dienst des Woords, der plaatselijke Kerk, of welke vorm men wil, te zien. Waarom anders ook niet kort en goed deze stichtingen in al de provinciën successievelijk opgeheven, de goederen Staatseigendom verklaard en de kerkedienaars als dienaars van den Staatsgodsdienst uit de Staatskas betaald? Dat ware dan consequent geweest. De dua-

Sluiten