Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van parochies, kloosters, kapittels, of wat ook, gestaan hadden. De klokken en klokketorens kwamen in het bezit der burgerlijke gemeente. Voorts werd het pastorie- en kosteriegoed en andere kerkelijke fondsen gerekend tot de plaatselijke Kerk te behooren, ook al liet de Revolutie deze stichtingen veelszins in statu quo. De goederen der tweede rubriek, de geestelijke goederen, bracht zij onder nationaal beheer. Ook hier liet zij de stichtingen als fundaties of fondsen bestaan, en zij bleef de aanwending ad pios usus houden, ook al is het te begrijpen, dat zij daaronder iets anders verstond dan de Gereformeerde vaderen of de corrupte regentenwereld.

In hoofdzaak handelde de Staatsregeling van 1798 geheel terecht; zij zocht elk 't zijne te geven. Zij sneed zeker met ruwe hand den band tusschen Staat en Kerk door, als zij niet alleen aan de „voormaals heerschende Kerk" de privilegies ontnam door deze sinds twee eeuwen genoten, en ook als zij na 3 jaren noch de opbrengst der geestelijke goederen noch de Staatskas meer voor deze Kerk disponibel stelde, zoodat de Kerken hulpeloos in haar ellende dreigden neer te zinken, maar ongemotiveerd en onrechtvaardig handelde de Revolutie hierin niet. Nooit hadden de Kerken rechtens eenige aanspraak kunnen maken op de gelden uit de Staatskas of uit de geestel. fondsen, nu, als met het Gereformeerd karakter der Overheid ook haar zedelijke verplichting tot steun der Gereformeerde Kerken verviel, zeker wel allerminst.

Op twee zaken moet hier nog gelet worden. Niet zoozeer daarop, dat de Overheid uit billijkheidsgevoel de kerkgebouwen van vóór 1581 (toen de Overheid Gereformeerd werd) onder de leden van verschillende Gezindheden op één plaats wilde laten verdeelen, doch hierdoor in die streken, waar de Roomschen de meerderheid hadden een ware anti-beeldenstorm in 't leven riep, en tal van processen uitlokte, dan wel vooral daarop, dat zij bij haar nationaal-verklaring der geestelijke goederen (de tweede boven besproken rubriek) eveneens uit rechtsbesef bepaalde, dat de aanspraken van Kerken of lichamen op eenige genationaliseerde goederen „onverlet" bleven, en dat men deze aanspraken met de noodige bewijzen bij het „Vertegenwoordigend Lichaam" kon inleveren. Zij heeft, het blijkt uit de geschiedenis, met de meeste bereidwilligheid de archieven van rentmeesters, ontvangers en administrateurs geopend voor de reclamanten, den tijd van inlevering zelfs

Sluiten