Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonderde Kerken" (o.a. Amsterdam). Het waren die Kerken, die bij de scheiding van Kerk en Staat in 1798 zich zelf geholpen hadden en algemeene commissiën in 't leven geroepen hadden, om het beheer van den Magistraat over te nemen. Bij Kon. Besluit van 1810 werden zulke kerkeraden in hun recht om zelf het beheer te regelen bevestigd. Dat het de Regeering van koning Willem I met haar organisatie van het beheer der goederen niet enkel te doen was, gelijk voorgegeven werd, om de Kerken uit hare ellende te helpen en gebreken in het beheer te verbeteren, blijkt wel daaruit, dat zij onder haar Prov. Colleges van Toezicht ook nu deze uitgezonderde gemeenten zocht te trekken, niettegenstaande aan deze Kerken in alle reglementen het recht van eigen regeling van het beheer gewaarborgd was. „De Regeering heeft deze uitgezonderde gemeenten nooit met een goed oog aangezien" (Heineken). Zij wilde alles centraliseeren. Daarom maakte zij dan ook van den nood der predikanten in 1827 gebruik, om het beheer door deze gemeenten gevoerd onder haar toezicht te brengen. Zij weigerde voor depredikanten dezer gemeenten finantieelen steun uit 's lands schatkist te geven, zoolang niet de regeling van en het toezicht op het beheer onder de Prov. Colleges gesteld waren. Alleen de zeer rijke uitgezonderde gemeenten, konden toen op vrije voeten blijven. En toen de Regeering in de dagen der Afscheiding begreep, dat zulke uitgezonderde gemeenten, indien zij met de Afscheiding meegingen, ook hare goederen meenamen, schreef zij deze Kerken bij Koninklijk Besluit van 2 December 1836 aan, dat de toestand van uitzondering niet onttrok aan het toezicht van het Provinciaal College. Hoe onzinnig deze formuleering ook was (men was niet onttrokken aan een toezicht, terwijl men het recht van uitzondering van dat toezicht had!) — de bedoeling was duidelijk. Men werd met zijn beheer nolens volens aan het Staatsgezag onderworpen. Door het recht van eigen beheer, en als t er op aankwam van eigen bezit, werd ook hier op Napoleontische wijze een streep gehaald.

Zóó was dan de in 1798 zoo hooggeroemde scheiding van Kerk en Staat daarop uitgeloopen, dat in de organisatie van het bestuur zoowel als van het beheer de eindbeslissing en het oppergezag bij de Overheid berustte. Beide lijnen eindigden bij den koning. Wat hiervan het gevolg moest zijn was te voorzien. Meer

Sluiten