Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelen, en inzag hoe door haar in alle opzichten ongemotiveerde houding tegen de Afgescheidenen zelfs „het koninklijk gezag in de waagschaal gesteld werd" (Groen), zag zij naar middelen om ten einde zich aan het oppertoezicht op de kerkelijke organisatie te onttrekken. Bij Koninklijk Besluit van 1847 werd de macht, die de Koning tot nog toe over de kerkelijke organisatie, en daardoor over de Kerken, uitgeoefend had, overgedragen aan het Staatscreatuur de „Synode". Het was dus allerminst vrijmaking der Kerken, maar bestendiging der slavernij. Het Reglement van 1852 was van deze ongrondwettige machtsoverdraging de vrucht. Naar de meening der Kerken werd ook nu niet gevraagd. Het geschiedde trouwens, evenals in 1816, alles in het geheim.

Hoewel de koning in de eerste jaren na '52 nog even doof bleef, als in 1843, voor de herhaalde smeekbeden en deputaties der „Synode", die zelf het oppertoezicht d. i. het beslissend gezag over de kerkelijke goederen in handen wilde hebben, zoo begreep hij toch, dat hij met zijn hand terug te trekken uit het eene wespennest, dat der kerkelijke organisatie, nog maar half werk gedaan had, en dat het terugtrekken van zijn hand ook uit het andere wespennest, dat van het opperbeheer, hem alleen uit de moeihjkheden brengen kon. Dientengevolge verscheen ongedacht en onverwacht het Kon. Besluit van 1866, waarbij de rechtstreeksche tusschenkomst van den Staat bij het beheer der goederen der Herv. Kerk opgeheven werd en de macht, tot nog toe door den koning hierin uitgeoefend, overgedragen werd aan een Algemeen College van Toezicht van 14 leden (uit elk Prov. College één lid, met 3 leden door de Synode gezonden). Het College zou slechts 3 jaren zitting hebben, daarna verviel alles wat van Overheidswege op het beheer van het kerkelijk goed was vastgesteld. Hoewel eigenlijk niemand, ook de leden der Commissie zelve niet, recht begreep wat de eigenüjke taak dezer Commissie was — want alle instructie voor haar arbeid ontbrak — toch werd allengs wel zooveel duidelijk, dat de Commissie de aftocht der Regeering moest dekken, en moest zien uit te zoeken, wie nu eigenlijk het beheer der goederen in handen behoorde te hebben. Deze Algemeene Commissie maakte dan ook ter elfder ure een regeling. Of eigenlijk, zij maakte geen regeling. Zij was van meening, en naar het Kon. Besluit van 1816 terecht, dat de kerkelijke organisatie geenerlei recht had op de goederen, veel

Sluiten