Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen voegen: ware zoo ook in 1852 met bet bestuur geschied. Dan ware alles in orde geweest. En metterdaad had toen ook zoo behooren te geschieden. Evenals met het beheer, had, toen de Regeering zich in '52 van het bestuur terugtrok, dit bestuur geheel en uitsluitend op de kerkeraden moeten terug vallen. De Regeering had toen de Kerken de vrije hand tot eigen organisatie moeten laten, en dies al haar reglementen en besluiten terug moeten nemen. Edoch, dat is toen niet geschied. ïïinc illae lacrimae! Men schijnt zelfs in 1869 de fout van 1852 ingezien te hebben en te hebben willen verbeteren, maar door half werk heeft men den toestand eer verergerd. Ware ook in '52 de weg van 69/70 bewandeld, de kerkelijke geschiedenis der laatste halve eeuw zou ten onzent anders geweest zijn. Maar doordat nu de organisatie van 1816 in stand bleef, en in 1852 de macht des konings over de Kerken aan een college boven de Kerken, de „Synode" genaamd, overgedragen werd, bleven de Kerken onder de Staats-organisatie gebonden. En het allerergste hiervan was, dat in den loop der 19e eeuw de Kerken door de Overheid met deze organisatie vereenzelvigd werden. Want, natuurlijk, bij zulk een identificeering van de Kerken met de organisatie, was er geen ontworstelen van de Kerken aan de organisatie mogelijk. Wie naar die beschouwing met de organisatie brak, brak met de Kerk. Vroeger was het criterium om het karakter der Kerk te bepalen: de belijdenis, nu: de organisatie, nog wel de met geweld opgedrongen Staats-organisatie. Zoo oordeelde reeds, we zagen het boven, de Regeering in haar ministerieel aanschrijven aan Ds. Scholte en in haar handelwijze jegens de Afgescheidenen in 't algemeen. De Kerken waren een kerkgenootschap, één met de organisatie. Een plaatselijke Kerk, die met de organisatie brak, was slechts een aantal individueele leden, die zich afscheidden van de „Kerk", en die dus alle recht en aanspraak op de goederen dezer „Kerk" verloren. De organisatie was het eenige criterium, zij was de band die allen saambond, van wat geloofsovertuiging men ook was, of ook al was men zonder geloofsovertuiging en toch lid der Kerk.

Deze theorie, vierkant in strijd met de historie, met de koninklijke bepaling bij de instelling der organisatie in 1816, met de Belijdenis zelve van deze „Kerk", een toestand op zichzelf ook dóór en dóór onzedelijk en terecht genoemd een stelsel van „geestelijke

Sluiten