Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

looze, is Gods dienaresse. Is het gevaar voor afhankelijkheid grooter, dan wanneer in een gemeente éen of twee rijken het grootste deel van het predikantstractement geven? Ik kan het mij dan ook voorstellen, dat een Kerk, ziende alleen op deze practische bezwaren, zeggen zou: tienmaal liever, als de nood dringt, Staatssubsidie dan een predikant armoede laten lijden, want dat dooft de energie, dat brengt inzinking in de gemeente. En ook dat zij vraagt: is het geen restitutie van ons eigen geld, ook al moeten wij het dan uit de Staatshand aannemen? En ook, dat zij zulke broederen toevoegt: dat men zeer gemakkelijk over het niet wenschelijke van subsidie kan spreken als men in weelde in overvloed woont, maar dat dit anders wordt als men tobben moet om rond te komen. Ik zou dan ook in 't absolute allerminst het ongeoorloofde van Staatssubsidie willen uitspreken. Ik kan het mij indenken dat een arme Kerk voor haar schraal predikantstractement, indien de deur open stond en de Staat toch eenmaal allerlei Kerken en inrichtingen subsideert, een begeerigen blik werpen zou op de Staatskas en vragen zou: waar is het Staatsgeld beter aan besteed, dan aan de prediking van het zuivere Evangelie?

Toch kan ik, hoe gaarne ik arme Kerken geholpen zou zien, dezen weg van Staatssubsidie, om tot eenige wegneming der boven besproken onbillijke bevoorrechting te komen, niet van geheeler harte aanbevelen. Er is iets in mij, dat daar tegen indruischt. Er ligt in het vragen of ontvangen van subsidie altoos een vernedering voor de Kerken. Een vernedering, waartoe zij zeer zeker in geval van den uitersten nood zouden kunnen komen, maar die toch immer een vernedering blijft. "VVie in verlegenheid zich wendt tot den rentmeester van vriend of familie, daar deze in opdracht heeft om te helpen, die wordt geholpen, maar slechts de uiterste nood zal hem, zoo hij man van karakter is, tot dien vernederenden gang dringen. De Kerk heeft te bedenken, dat zij geen school of maatschappelijke instelling is, maar een eigen stichting, de organisatie van een eigen koninkrijk, van het Koninkrijk der hemelen. Welk een vernedering als het eene zelfstandige koninkrijk bij het andere om geldelijken steun zou moeten vragen, hoeveel te meer dan niet waar het 't hoogere Koninkrijk der hemelen geldt! Een van tweeën is slechts consequent: of men late het koninkrijk der aarde zorgen voor de aardsche dingen der Kerk (de Staatskerk), of men handhave,

Sluiten