Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de handelwijze der neutrale (!) Overheid in 't volle licht gesteld te hebben, zegt hij dan: „Indien ook nu nog het in 1798 geopperde plan in toepassing kon gebracht worden, en de goederen, die oorspronkelijk bestemd waren voor de opvoeding van de jeugd, en dat waren de grootste, konden gebracht worden, evenals in Engeland, tot een Consolidated fund, ten behoeve van het onderhoud van de scholen, onder een speciale „denominatie", dat wil zeggen ten behoeve dier scholen, waarvan de kinderen een zekere leer belijden, dan ware èn de kerkelijke èn de schoolquaestie voor een goed deel opgelost!" En krachtig laat hij er even later op volgen „Eene kerk die subsidiën behoeft, heeft geen reden van bestaan meer. Niet de aard van den Staat maar het wezen van godsdienst en zedelijkheid, verbieden het ondersteunen der kerkgenootschappen door de Overheid." En nog later. „Het komt mij vooi, dat eene kerk, die pretendeert in het bezit te zijn van zoo groote geestelijke schatten als de Christelijke Kerk, het moest verachten, om gevoed en gesteund te worden door hare bestrijders!' ') Men ziet het, hoe hoog de heer Lohman in deze laatste alinea s het ideaal der Kerk houdt, en we zeggen het hem, voor zooveel het bestaan der Kerk aangaat, volkomen na (voor haar welstand kan soms, bij onmacht, uitzondering gemaakt moeten worden), en men ziet tevens, dat ook hij algeheele terughouding der Staatssubsidie wenscht. En dat is de gezonde toestand. Zoolang de Overheid op het standpunt van art. 171 staat, heeft zij alle Kerken, naar evenredigheid, gelijkelijk te subsidieeren, doch wenschelijk is het, dat het geheele artikel, dat over deze ondersteuning handelt, geschrapt worde. De Overheid betale aan de Kerken uit waarop zij recht hebben, maar houde allengs haar vernederend en partijdig gunstbetoon in. Er zou met aftrek van de verplichte lente voor genaaste kerkegoederen nog een kleine f 2.000.000 vrij komen. (De jaarlijksche subsidie is f 1.965.000, met aftrek van

1) Behalve de heer Lohman dachten ook nog andere leden der Tweede Kamer er zoo over. Ook de heer de G-eer van Jutfaas. Beide genoemde heeren hadden Als leden der Staatscommissie van advies voor de herziening der Grondwet een nota in dien zin bij het rapport der Commissie gevoegd. (Zie Carpentier Alting p. 153.) Ook Mr. Carpentier Alting is een warm voorstander van schrapping van genoemd Grondwetsartikel, en van geleidelijke doch algeheele intrekking der Staatssubsidie, (a. w. p. 155 e. v.v.)

Sluiten