Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ernst getuigen, dan die naar het karakter van de resultaten, door dien arbeid bereikt, beschouwd als producten van den denkenden geest. Ieder menschelijk wezen leeft in een wereld, eene door hem aanschouwde, gehoorde of getaste wereld. Geen vraag kan ernstiger zijn, dan de vraag naar den aard dier door hem gekende wereld. «Daar het verstand", zeggen wij met Locke, «datgene is, wat den mensch boven

alle levende wezens verheft, zoo is het reeds wegens'

' Ö

zijn adel een voorwerp, de moeite van een onderzoek gewisselijk waard."

Als wij het gansche Heelal doorzocht hadden, wat zou dan ten slotte nog de beteekenis zijn van onze wetenschap, ziedaar de vraag, die het hier betreft. Het eenvoudige feit, voor den niet geschoolden mensch onbegrijpelijk, ja bij het eerste vernemen hem prikkelend tot toorn, dat »daar staat een boom" geheel iets anders inhoudt dan »ik zie daar een boom staan", is ons geleverd door het onderzoek naar den aard van het menschelijk kenvermogen. Bepalen wij ons tot een enkel zintuig, het oog. Hoe zien wij? De staafjes, waaruit het netvlies hoofdzakelijk bestaat, — onze beschrijving is er eene in zeer ruwe trekken — ondergaan door de inwerking van het licht een wijziging. Die wijziging wordt langs zenuwdraden naar binnen geleid, naar de pyramidale cellen van de schors der groote hersenen. In die cellen worden vervolgens kleine deeltjes verplaatst, welke verplaatsing de gewaarwording van het zien tengevolge heeft. Er is dus niet in ons hoofd een derde oog, dat ziet wat in onze uitwendige twee oogen plaats grijpt, neen, eene verandering in de cellen van de schors der groote her-

Sluiten