Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De reiziger, die Rome bezoekt, en de zalen doorwandelt van het Vaticaan. staat bewonderend stil voor dat eene doek van Rafaël, alleen een tocht waard naar de eeuwige stad : de school van Athene. Op den achtergrond staat Socrates, in druk gesprek gewikkeld. »De mensch is de maat aller dingen", had Protagoras gezegd. En Socrates gaf het toe, indien men slechts den nadruk gelieft te leggen op het lidwoord — maat aller dingen is de mensch, de menschelijke rede, die het bijzondere van alle zijden beschouwt, door die alzijdige beschouwing het wezen ervan tracht te leeren kennen, en bij gevolg van het aanschouwde bijzondere opklimt tot het algemeene. Zoo trachtte Socrates te komen tot de definities of de normen der dingen. Het bijzondere, het toevallige, behoort niet tot het wezen van het ding. Het algemeene, dat ieder ding in zich moet hebben, om het ding te zijn, dat het is, ziedaar van dat ding het wezen, de idee, de norm. Hoe komt het dat twee menschen elkander kunnen verstaan ? Daarom alleen, wijl overal waar twee menschen samen zijn, een derde tegenwoordig is, aan welke zij beide onderworpen zijn : de rede. Dat twee menschen elkander kunnen verstaan, <?old

> o

Socrates als bewijs, dat er normen zijn, waaraan de geest van iederen mensch onderworpen is.

Maar op den voorgrond van Rafaël's schepping staan de figuren van Plato en Aristoteles ; van Plato, die, voortbouwend op den arbeid van Socrates, de soortbegrippen ot ideëen verklaarde voor het onvergankelijke ; van Aristoteles, die de ideeën of normen als in de dingen zich baanbrekend voorstelde, en op die beschouwing gansch een wijsgeeriggebouw optrok.

Sluiten