Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dingen der aarde in de hand en ondermijnden het gemoeds- en gewetens-leven alsof dat tot het „private zijn" behoorde, voor 't welk geen geldende redenen te stellen waren of wezen konden.

Laat mij, om dien tijd te teekenen, drie getuigenissen bijbrengen van staatkundigen, wier naam een sterken klank heeft.

Gladstone schreef in 1874 aan zijne vrouw: „Ik ben overtuigd, dat de welvaart der menschheid niet afhangt van den Staat of van de wereld der staatkunde. De wezenlijke worsteling moet uitgestreden worden i n de wereld der gedachte, waar een woedende aanval met groote hardnekkigheid en over een wijde uitgestrektheid gedaan wordt, op den grootsten schat der menschheid : het geloof in God en het Evangelie van Christus!" Twee jaren vroeger had hij aan graaf Argyll geschreven: „Wij, staatslieden, zijn als kinderen, die met den tol spelen, in vergelijking met het groote werk van en voor de menschheid, dat gedaan is en nog gedaan worden zal en moet: haar geloofsvernieuwing!" (Morley's „Mr. Gladstone" dl. II, pag. 500 en 504).

Het tweede getuigenis is van Prins von Hohenlohe, wiens gedenkschriften, voor kort uitgegeven, zooveel stof hebben opgejaagd en die op zijn 21e jaar aan de Heidelbergsche hoogeschool komende, zijne verontwaardiging over de godloosheid zijner leermeesters en mede-studenten aldus lucht gaf: „De grootste wijsgeeren zijn door hun onderzoekingen teruggebracht tot de grond-waarheden van het Christendom en deze onnoozele schepselen, die geen hand-hoog hebben nagedacht, willen zich van het geloof en van de vroomheid des harten losmaken !"

Een derde teekening van onzen tijd ontmoet ik in het reeds veel gelezen boek van den Italiaan Ferrero, waarvan tot nog toe 4 deelen in het Fransch zijn vertaald

Sluiten