Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

velen, als zij aanzien het veldwinnend ongeloof, de schrikwekkende onverschilligheid, de steeds dieper gaande v ij andschap tegen al wat godsdienst heet; als zij aan den anderen kant met bezorgdheid opmerken, hoe het secte-wezen bloeit en in allerlei, zelfs heidensche dweper ij en, vleesch en geest zich zonderling vermengen.

Misschien kennen zij niet genoeg de geschiedenis van Christus' gemeente op aarde, maar zij zoeken tegen alle die dreigende gevaren een uiterlijken steun. Zij willen terug naar die vroegere eeuwen, toen een aan alle zijde vast aaneen gevoegd leerstelsel de geesten overheerschte en 's menschen persoonlijk meenen zich met een handteekening onderwierp aan de belijdenis der meerderheid; alsof deze gewaande zekerheid ooit de onrust en vrees der ziel en des gewetens zou kunnen tot zwijgen brengen of wegnemen 1

Zou men dan inderdaad kunnen volhouden, dat het onderzoek der christelijke waarheid in het jaar 1619 is afgesloten en dat wij — nu bijna 400 jaren later levende, ons bij de toen vastgestelde leerbepalingen eenvoudig zouden hebben neer te leggen? Voor zwakke zielen moge dat gemakkelijk s c h ij n e n, voor nadenkenden is dit even o n m o g e 1 ij k als onger ij m d, den Christen bovendien onwaardig.

Maar „eene kerk moet toch een belijdenis hebben, waardoor zij zich onderscheidt van andere kerken" — zoo roept men ons toe.

Ik vraag: hoe bedoelt gij dat nu? Verstaat gij daaronder: een belijdenis, door Gods heiligen Geest in de harten geschreven en nu dan ook genoegzaam om er op te leven en te sterven ; of bedoelt gij daarmee : eene door menschen op papier geschrevene of gedrukte belijdenis, op de manier van een staatswet of van een vereenigingsreglement in 37 of 39 of 92

Sluiten