Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch dien ganschen overvloedigen arbeid dankt hij aan 'sHeeren genade die hem bewezen is. Deze bleef hem bij. Aan de voorkomende, achtervolgende en bijblijvende genade is en moet alles worden toegeschreven. Alles wat hij was en is, moet aan haar worden toegekend.

Hoe staat het met onzen arbeid ? Is ze voor het koninkrijk der hemelen, zoo niet geheel dan toch ten deele, ten deèle, omdat onze roeping niet is als die van Paulus? Heeft evenwel die arbeid ons aller hart, onzer aller liefde, ons aller gebed en onze rijkste gaven ? E11 gij, mede dienaren des W oords, wij immers hebben ons aan den Ileere, als Paulus, geheellijk overgegeven, Hem al wat wij hebben en zijn toegezegd. Waren en zijn wij met die volkomene toewijding nu ook voor Hem werkzaam? Overtreffen wij anderen in het besef van onwaardigheid en nietigheid, en tevens daarin, dat wij door 'sHeeren genade overvloediger dan velen gearbeid hebben ? Of moet schaamte ons aangezichte bedekken? Moeten wij niet zeggen, dat wij geen vergelding hebben gedaan, naar de genaderijke zegeningen aan ons geschonken? Wat mij aangaat, dit weet ik, Gemeente, dat ik hier langer gearbeid heb, dan al de leeraren, die gij voor mij liadt, samengenomen.

De vier leeraren Ds. Langhorst, Ds. Klein, Ds. Middel en Ds. Renting, die hier vóór mij gearbeid en gediend hebben in het Evangelie Gods, deden dat samengenomen, slechts 31 jaren. Van deze 31 jaren moeten evenwel nog afgetrokken worden, de jaren die de gemeente van 1836 tot 186* vacant was. En dat is ongeveer zes jaren. Wij nu mogen thans herdenken mijnen veertigjarigen arbeid voor u en in uw midden. Den 10de" Maart van het jaar 1886 herdachten wij hier het vijftigjarig bestaan der gemeente; ik sprak bij die gelegenheid over 1 Sam. 7 : 12. Wij spraken en baden toen ernstig, dat God de gevangenen Zions, mocht wederbrengen. De Gemeente, die thans 71 jaren geleden tot openbaring kwam, is dus in 1836 uitgeleid, en mitsdien tot het leven naar het Woord en de belijdenis gekomen.

IV. Werd door Paulus niets aan zichzelven, maar alles aan de genade Gods, hem bewezen, toegekend, geen wonder dan ook, dat hij in onzen tekst eindigt met den Ileere de lof en de eere

Sluiten