Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefelijk in psalmen" is geworden. En dat alles gelijk hij zegt: Hoewel mijn huis alzoo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld". Met David moet hij vol ootmoed en bewondering vragen: „Wie ben ik en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt." Er ligt, als bij David iets van 't geheim der gangen Gods in, dat de steen Jaspis, die voor de stam van Benjamin was (waartoe Paulus behoorde) de laatste was in den borstlap van den Hoogepriester (Exodus 28 : 20) en dat hij, naar Openb. 21 : 19, de eèrste is, die genoemd wordt onder de fondamentsteenen van het nieuwe Jeruzalem Geheel dienovereenkomstig roept dan ook de heidenapostel met David uit: „Niet ik"! Het was verre van hem, dat hij, die de minste en de laatste was, de mede-apostelen achter zich zou stellen. En nog verder zij het van Hem, dat hij de eere, die alleen zijn God toekomt, rooven zou. Dit zou eene ontzettend groote zonde zijn. 'tls of de gedachte er aan hem heilig schrikken doet, en of hij zich dientengevolge haast, om, waar hij van zijnen heerlijken en veelvuldigen arbeid gesproken heeft, aanstonds er met nadruk op te laten volgen: „Doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is". Door het tegenstellend voegwoord „doch" verbindt hij deze woorden met hetgeen hij van en over zijn arbeid heeft gezegd. Dit doet hij, omdat liij vervuld is van de gedachte, dat niets van de eer van den niet-ijdelen, maar vruchtbaren en veelvuldigen arbeid hem, maar wèl en uitsluitend zijn God toekomt.

Doet het ovengenoemde hèm heilig schrikken, veel meer loopen mij gewone menschen gevaar, als wij inleven in wat wij waren en deden en dies veel spreken over ons zeiven en over hetgeen wij waren en deden, ons zelven te verheffen en van de eere Gods wat te rooven.

Hij heeft hem als een uitverkoren vat in Zijnen dienst gesteld hem als een instrument, als een aarden vat believen te gebruiken en hem alles gegeven, alles wat hij ten behoeve van hetgeen hij verrichtte, noodig had. Paulus heeft geplant, maar 'twas God, die den wasdom gaf. Hij vat alles wat hem geschonken en verheerlijkt is om te zijn, die hij is, wat hem gegeven is, om zulk een gezegend werktuig te zijn als liij was, en zoo een omvangrijken arbeid te verrichten als hij verricht heeft, samen in het driemaal genoemde woord „genade".

Sluiten