Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geslacht; bijna allen met wie ik hier den arbeid begon en velen met wie ik hem mocht voortzetten. Ook uw dienaar deelde in Mei 1894 dermate in de smart van het heengaan, dat de Engel Gods het noodig oordeelde, gelijk Hij dat kan, hem toe te spreken en mede te deelen : „Ik heb voor Ü gebeden, dat uw geloof niet ophoude." Zeker dit heengaan doet weemoedig aan. Vooral als wij denken aan hen, die in de kracht van het leven aan de hunnen en aan ons zijn ontrukt. Het is hier het land der ruste niet. Het is leven om te sterven; het zij ook, om eeuwig te leven bij en met God! Geen nood, want zoo is het, bijaldien de arbeid Gods ook voor onze zielen niet ijdel is geweest, als ze vruchten heeft gedragen des geloofs en der bekeering waardig.

De arbeid Gods zal, naar wij hopen, tegen niemand getuigen. Als wij eenmaal samen staan zullen voor den rechterstoel van Christus, moge Zijn woord tot niemand wezen: „Ik heb geroepen, maar gij hebt niet geantwoord." „Gij wildet tot Mij niet komen." Dat wij in die groote ure allen mogen ingaan in de eeuwige vreugde onzes Heeren!

Dank broeder Van der Veen ! voor het woord van dezen morgen, en voor de hartelijke en goede woorden mij toegesproken, namens de Provinciale Synode, dus namens de Gereformeerde Kerken in Zeeland.

Dank, broeder Toebes, voor de welwillende en mij aangename woorden, die gij nog in 't bijzonder mij wildet toespreken, op verzoek der Classis, waartoe de Kerken behooren, die wij dienen.

Dank, voor uwe belangstelling, ambtgenooten, broeders en zusters, ja allen, die hier vergaderd waren. De Heere geve Zijne liooge goedkeuring, en doe verzoening over alles wat niet was naar Zijnen wil in deze ure en in mijnen arbeid deze veertig jaren. De Heere doe zoo en zoo toe, aan hetgeen uit Hem en naar Zijnen wil was, om Zijns Naams wil!

Amen!

Sluiten