Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Geest, niet meer den regel kunnen heeten. En onbetrouwbaar wordt de voorstelling der leer die wij ontvangen uit 1 Petr. 1 : 23, Jac. 1 : 18, Rom. 10 : 17, gelijk zij rust op de waardschatting der H. Schrift van de bediening des N. Testaments Want dat hetgeen deze teksten zeggen, slechts als de toén geldende regel is bedoeld, dit wordt niet gezegd. Wij vinden nergens, dat deze regel gold voor de eerste tijden der Kerk, en dat voor de latere bedeeling Gods in de Kerk. door God een geheel anderen regel zou worden ingevoerd. En waar de in genoemde drie teksten gegeven regel geheel overeenstemt met de door ons bedoelde waardschatting van den dienst des N. Testaments, welke blijft in de Kerk tot den jongsten dag toe, daar hebben wij te meer geen vrijmoedigheid, om voor de latere tijden een andere wijze van werken Gods ter zake van de wedergeboorte, aan te nemen. Nog afgezien daarvan, dat de Schrift ons indien wij hier miszagen, dan ook duidelijk zulk een andere wijze van werken Gods ter wedergeboorte moest leeren.

Wij gaan nu overdenken de verhouding van Woord en Geest, de waardschatting door de Schrift, van de bediening des Nieuwen Test., en daarna de genoemde Schriftuurplaatsen.

Ds. Bos in zijn „Dogmatische Onderwerpen", pag. 24, zegt: „De roeping is niet het werk van een mensch. Het is Gods werk.'' 1) Dit wordt maar al te weinig bedacht. Het uitwendige werktuig of orgaan is wel de mensch. Maar de werkelijke roeper is: God, of: de Christus. Die is uitgezonden. Zijn werk is het, Zich een gemeente te vergaderen, en die eenmaal den Vader voor te stellen. Hij is de uitvoerende Koning in het rijk der genade.

Ook is Hij het Woord, de openbaring Gods. Het Woord is het Woord Gods, door Hèm gesproken, al is het door menschelijken mond. De openbaring is in Hem: Hij is het Woord, de openbaring Gods. Waar de roeping komt, uit-

1) Ook bij Prof. Bavinck vinden wij: „Altijd staat God achter het Woord", dat in onderscheidene vormen tot de menschen uitgaat. Dogm. IV 200.

Sluiten