Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Heere geeft altijd getuigenis aan Zijn Woord en het doet altijd wat Hem behaagt. Want het is zeker: Hij onttrekt nooit den H. Geest aan Zijn Woord en getuigenis; — aan het woord, zoover het Zijn Woord, en zoover het Zijn heerlijkheid en waarheid in den Zoon gegeven, waarlijk doet schijnen in de wereld. Want Geest en Woord, of liever: Woord en Geest, zijn onafscheidelijk, ook in hun openbaring naar buiten. Want er is, indien gij het goed verstaat, zelfs geen werking des Geestes zonder het Woord, en geen werking des Woords zónder den Geest. En nu is het schijnbaar juist, maar wezenlijk toch onjuist, om te zeggen: maar de Geest bij het Woord, die wederbaart toch, maar het Woord eigenlijk niet.

Want zie, dat spreekt vanzelf, dat de Geest het doet. Maar daarom is het toch waar, dat God het dóór Zijn Woord doet, omdat God alle dingen doet door Zijn Woord, maar toch het werk Gods door het Woord, eerst ten einde toe volvoerd wordt door Zijn Geest, alzoo, dat God geen ding doet door het Woord, dan alleen door Zijn Geest. Nochtans kan en zal men niet zeggen, dat God alle dingen eigenlijk niet doet door Zijn Woord, maar door Zijn Geest. Gelijk Hij in de natuur Zijn Woord krachtig maakt en tot zijn doel brengt door Zijn Geest, of liever: gelijk Zijn Woord in den Geest, die kracht bezit, en het eene zonder het andere niet denkbaar is en niet bestaat, in weerwil van het bestaande onderscheid — zoo ook hier: Gods openbaring is Zijn Woord, is ook krachtig door den H. Geest, en het eene is ook hier zonder het andere niet te denken en bestaat niet het eene van het andere gescheiden, in weerwil van het onderscheid dat ook hier geenzins uit het oog verloren mag worden. En die openbaring Gods in het aangezicht van Christus Jezus, welke openbaring is in den H. Geest en niet daarbuiten, is als' zoodanig ook krachtig en niets kan zijn kracht weerstaan, en zij schijnt door de dikste duisternis henen en verlicht de oogen die niet zagen en gaat in de ooren die niet hoorden, omdat zij dit vooraf niet konden. Daarom omdat die openbaring — dewelke niet anders is dan het schijnen Gods, in de duisternis, — machtig is zóó door te dringen, dat in weerwil van alle donkerheid in het leven, toch in de kern van het menschelijk wezen

Sluiten