Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien Naam de eigenlijke ontplooiing. (Zie ons vorig werkje.)

Belangrijke teksten zijn nog: Jac. 1:18 — alwaar het heet: „Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid", — en Ef. 1 : 13 en Rom. 10: 17. In Ef. 1 : 12 en 13 lezen wij: „Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij die éérst in Christus gehoopt hebben. In welken ook gij zijt, nadat gij het Woord der waarheid, n.1. het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt". In de plaats van „nadat gij ... gehoord hebt" staat in het Grieksch een participium, dat terecht alzoo vertaald is. Ook Meijer vertaalt zoo. Er ligt in dit participium, dat de daarmede aangeduide werking, niet maar zoo lós bij het onmiddellijk voorafgaande {en hooi kai hameis) bijkomt, maar daarbij behoort, ja, dat zonder hetgeen in het participium gezegd wordt, dat en hooi kai hum eis niet bestaat.

Nu hierover nog een opmerking. In de vertaling „in welken ook gij zijt" is „zijt" ingevoegd. Over deze invoeging kan verschil bestaan. Ook Meijer acht zijt hier het juiste. Hoopt kan hier niet ingevuld worden, want het daarvoor in vers 12 in het Grieksch gebruikte woord past hier niet. Doch ook indien de Statenvertaling „in welken gij ook zijt" hier faalde, blijkt dit hier toch ontegensprekelijk, dat onze vertalers van meening waren, dat zóó te vertalen niet streed tegen de leer door de Schrift elders voorgesteld. De geloovige Efeziërs waren naar deze vertaling, die ook zeer waarschijnlijk de ware is, niet in Christus, en dus niet wedergeboren voor zij het Woord der waarheid gehoord hadden. En indien dit zoo was met de Efeziërs, wat voor reden hebben wij om te denken, dat zij juist een uitzondering vormden op de andere Christenen! De geldende regel dus, hier aangegeven, is, dat de wedergeboorte is niet zonder of vóór het gehoor des Woords n.1. bij de in leven blijvenden.

In Rom. 10: 17 wordt dit geleerd: „Zoo is dan het geloof uit het gehoor". Het geloof is uit het gehoor, niet slechts het gelooven. En nu baat het niet om hier te zeggen: maar Paulus bedoelde eigenlijk het gelooven, of het doen des geloofs, en niet het geloof. Want wel zou men naar het Hollandsch taaleigen de uitdrukking „het geloof" op zich zelf ook kunnen verstaan in den zin van het gelooven of het doen des geloofs,

Sluiten