Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getrokken toestand kan verkeeren, maar juist leert het tegendeel.

Wij beginnen, met onze aandacht te vestigen op Matth. 12. Nadat de Heere Jezus in dit hoofdstuk, op een zekere satanische beschuldiging der Farizeën, geantwoord had met te spreken over de zonde waarvoor geen vergeving is, gaat Hij in vers 33—35 aldus voort: „Of maakt den boom goed, en zijne vrucht goed; of maakt den boom kwaad, en zijne vrucht kwaad; want uit de

vrucht wordt de boom gekend De goede mensch brengt

goede dingen voort uit den goeden schat des harten, en de booze mensch brengt booze dingen voort uit den boozen schat". Absoluut klinkt dit woord: indien een goede boom, dan goede vrucht; en indien een kwade, dan kwade vrucht. En dan nog eens: de goede mensch brengt goede dingen voort. Dit is al, lijnrecht het tegendeel van een temporeele of tijdelijke scheiding tusschen wedergeboorte en bekeering! Een mensch die innerlijk, of in zijn eigenlijk levensbeginsel, goed is, 'twelk hier niet anders kan beteekenen, dan uit God geboren te zijn, die brengt voort goede vrucht, goede dingen. „Want uit de vrucht wordt de boom gekend". — Maar hoe kan dit nu tot zijn recht komen, indien het waar is, dat het gebeurt, dat iemand, hoewel reeds voor 20 of 30 jaren wedergeboren, toch nog onbekeerd rondloopt? Deze wordt dan uit zijn vrucht niet gekend. En het woord: maakt den boom goed en zijn vrucht goed, wordt geloochenstraft: Het gaat niet op.

En de tegenwerping die men reeds vroeger tegen het gebruik alhier van deze en dergelijke Schriftuurplaatsen gemaakt heeft, dat er nl. onderscheid is tusschen een boom en zijn vrucht, en dat de vruchten van een goeden boom zich niet dadelijk openbaren, maar eerst na jaren, snijdt geen hout. (1) Want een mensch is niet als een boom, maar vertoont dadelijk, zoo spoedig hij begint mede te leven met zijn omgeving, zijn vruchten, n.1. wat in hem is. Al zijn daden en woorden, ja zijn gansche gedrag in- en uitwendig, voor God en de menschen, toont wat in hem is, brengt het naar buiten, zijn dus de veelheid van vruchten, die naar buiten uitbrengen wat in hem is, of hij

(1) Kramer, pag. 217, 246.

Sluiten