Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan slechts uitwendig leidt en als 't ware met de oppervlakte van zijn zieleleven, — of het is niet waar, dat een wedergeborene beslist van den dood is overgegaan tot het leven, en beslist in Christus ingelijfd is, alzoo dat hij naar zijn innerlijkst wezen niet meer buiten, maar in Jezus is! Een nieuw mensch is een nieuw mensch, en niet een schepsel van gemengde kleur: nieuw èn oud. In het diepst van zijn wezen, in het beginsel van zijn bestaan, is hij beslist vóór Qod, tégen de zonde.

Vandaar is het zoo waar, wanneer de Schrift de önwedergeborenen noemt: „zondaren" Rom. 5 : 8, en „goddeloozen", en die den Heere vreezen: „rechtvaardigen". Wij zeggen: deze volstrekte tegenstelling is zoo volkomen juist, — niet wanneer gij op het uitwendige, of ook op het praktische zieleleven, let, maar wanneer gij op het middelpunt van het leven en van het zieleleven ziet. Dan is daar in het centrum, in het diepst, of anders gezegd: in de spil van het zieleleven en van het zich naar buiten openbarende leven, de troon van Satan omvergeworpen en de troon van Jezus opgericht. De stad mensch-ziel, zooals de geliefde Bunjan het zoo schoon beschrijft, is vóór Jezus, en voor goed en beslist ingenomen. Alleen verbergen zich nog overal de vijanden, d. i.: de zonden. Overal moet dus de reiniging des levens nog plaats vinden. Maar de beslissing is gevallen. De stad is vóór Jezus. Indien ik nu hetgene doe, dat ik niet wil, zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont. Zie, dat is het heirleger van vijanden dat nog in mij is! Maar de diepste wil is goed, overgebracht en övergeplant van het kwade i n het goede, van Satan en zonde, in Jezus en Qod. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mensch. Maar ik zie, zoo gaat de Apostel verder, een andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijne leden is. Het is een jubelzang en een klaagzang. Een jubelzang, want hij is des Heeren, en de zonde is nog slechts in zijn leden en in zijn vleesch. Maar ook een klaagzang, want ach, die zonde neemt hem toch zoo gevangen, en zoo zit hij met zijn beoefenend leven onder die wet der zonde die in zijn leden is. En nu

Sluiten