Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloed. Hoe zou Hij een ledig aanschouwer van de zonde zijn, en dat in Zijn eigen huis en eigen tempel ? Het kan niet anders, of dit intrek nemen van den H. Geest in iemand, doet terstond aanvangen, zoover het bewustzijn Gods Woord ontvangen heeft, den strijd der kinderen Gods, den strijd tusschen vleesch en geest.

Trouwens, „waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid." Zoo leert de Apostel Paulus. En hiermede behoeft, hetgeen reeds moeilijk door ons kan gedacht worden, voor ons niet meer onzeker te zijn. Waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. Waar dus de Geest des Heeren inkomt, daar wordt de band des doods gebroken, en de blinde oogen gaan open. Er komt leven. Alwaar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid, — en daarmede is het in strijd, om eenvoudig op de gewone wijze voort te gaan, met niet anders, dan slaafs te bukken onder de macht van zonde en Satan. En ook hier weten wij niet van uitzondering: géén deelachtig-zijn van den Geest van Christus, d. i. den Geest der wedergeboorte, alwaar, niettegenstaande een voorgeven of onderstellen van die heilige inwoning, toch nog de oude doodstaat en geestelijke duisternis in het gansche leven den toon aangeeft. Hiermede stemt overeen behalve 2 Cor. 3:17, Rom. 8:2, 5.

Of hebben wij soms die temporeele scheiding tusschen wedergeboorte en bekeering, zooals wij die tot een voorwerp van bestrijding maakten, te scherp voorgesteld, scherper dan iemand ze leert?

Wij hebben gemeend te moeten aantoonen, dat de stelling dat een temporeele scheiding in geval van bewusten leeftijd, mogelijk is, in beginsel te veroordeelen is. En dit om twee redenen: lo. Deze stelling wordt naar ons inzien, wezenlijk geleerd, gelijk naar ons voorkomt, ook de citaten die wij vooraf lieten gaan, doen blijken. Vooral het allerlaatste dier citaten doet duidelijk gevoelen dat het werkelijk de bedoeling is, dat een wedergeborene langen tijd volkomen onbekeerd kan zijn. Want immers: „de geloofskiem kan lang in de diepte van het steenen hart", d. i. een nog onvernieuwd of volslagen onbekeerd hart, „werkeloos verborgen liggen".

2o. De bedoelde stelling vloeit inderdaad uit de bekende leer dat de uitverkoren kinderen wedergeboren zijn, noodwendig

Sluiten