Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar, te midden van hun heidensche omgeving, louter door verborgen werking des Geestes. Want wat doet dat er toe, dat zulk een wedergeboorte vóór aanraking met het Woord, Gode geenerlei vruchten kan toebrengen! En indien, — neem dat zulk een gedachte kon toegelaten worden — in het bewustzijn van zulk een wedergeboren heiden, vóór elke verkondiging van het Woord Gods, dat nieuwe leven der wedergeboorte zich doet gelden, hoe moet zulk een mensch, voor wiens geestelijke behoefte in het geheel niet door den Alwetende gezorgd zou zijn, zich dan wel bevinden; geestelijk volkomen aan zijn lot overgegeven, noch door zich zeiven, noch door anderen begrepen? Neen, als God een kind doet geboren worden zorgt Hij, dat de omgeving past óp zijn eigen hulpeloozen en behoeftigen toestand, en dat die omgeving zijn gebrek als 't ware kan aanvullen. En te meer moeten wij van Gods handelwijze met Zijn uitverkorenen alzoo denken. En indien men wil, dat zulk een beginsel der wedergeboorte geheel sluimerende blijft, zoolang het niet in aanraking komt met het Woord Gods, — dan vragen wij: maar wat voor nuttigheid heeft dan toch zulk een wedergeboorte vóór het Woord Gods?

Het is billijk en recht, dat waar deze leer van de wedergeboorte der uitverkoren kinderen zich opdringt aan de gemoederen, de aandacht ook op dit een en ander gevestigd wordt. En in het licht van dit alles wordt het ook des te noodiger om te onderzoeken: of zij wel Schriftuurlijk is,

Wij zijn niet begonnen met de gevolgen die deze leer noodwendig moet hebben. En dit opzettelijk. Want ons dunkt: niet de gevolgen die een leer kan hebben, beslissen over haar, maar alleen of zij in hare eigenlijke gronden op de H. Schrift steunt, en dit alzoo, dat zij ook met het geheel der leer niet in strijd is. Maar wanneer nu dit is nagegaan, en niet ten voordeele van bedoeld leerpunt, daar te meer bestaat er alle reden, om ook eens er op te letten welke uitwerking dat stuk in het werkelijke leven in leer en handelen zou hebben.

Ten slotte zij hier nog kortelijk gewezen op hetgeen wij lezen in de Heraut No. 1121 in het stuk „Van de gemeene Gratie":

Sluiten