Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voim komende, nochtans niet in eens menschen woord maar het eigen Woord des levenden Gods, Zijn eeuwig en onvergankelijk Woord, dat uitgaat van Zijn mond. Niet maar is die Waarheid uitgegaan van Zijn mond, maar zij gaat ook nog uit van Zijn mond, zóó zeker als zij niet van den H. Geest is af te zonderen, nóch van Hem, in en door Wien alleen God Zijn Woord spreekt, alzóó dat Hij ook zélf het Woord is. Er is nu eenmaal géén waarachtig licht, dan dat van God uitgaat dóór

Hem, in de natuur niet en in de genade niet, Joh. 1 : 1 9

Het Woord is niet van hèt Woord (de Zoon!) te scheiden! Het verkondigde en verkondigd wordende Woord des Heeren is, en kan zijn, als het Woord des Heeren, voor het in leven blijvende zaad der Kerk, het zaad der wedergeboorte.

Nu zegt de Heraut: de noodzakelijkheid van Kerk en Woord kan niet liggen in de levendmaking, want God de Heilige Geest is in dat werk vrijmachtig, en kan daarin aan geen middel gebonden zijn. Hiertegen is in elk geval dit op te merken, dat indien men Gods Geest niet bindt aan eenig middel, men Hem ook niet binden mag, om niet van een middel gebruik te maken. Maar men gevoelt, dat wij geheel deze voorstelling niet kunnen accepteeren. De H. Geest werkt bij en mèt het Woord Gods, brengt dat tót Zijn Goddelijk doel. Hij werkt nooit op Zich zelf. En nu weten wij, dat dit Woord Gods voor de in leven blijvende kinderen, in uitwendig menschelijke en zichtbare gestalte verschenen is. Gelijk zij uitkomen in de wereld, zoo heeft de Heere ook voor hen Zijn Woord laten uitkomen in die wereld, als in zichtbare, hoorbare, tastbare, menschelijke, aardsche vormen. Maar de Heere handhaaft het nochtans, als Zijn Woord, en niet als eens menschen woord. En Gods Geest evenzeer. En'daarom, is in dat Woord, hoewel de vorm op zich zelf, niets geestelijks kan uitwerken, genoeg óók om te wederbaren, zoowel als om verder geestelijk te voeden en te heiligen.

Hoewel deze vorm op zich zelf, totaal geestelijk machteloos is, zoo moet men desniettemin óók zeggen, dat deze vorm, waarin Gods Woord door Zijn Geest ingegeven is en tot ons komt, niet op zich zélf staat, en niet zónder het Woord Gods, en zónder zijn Goddelijken inhoud is. De waarheid Gods, en

Sluiten