Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bestemde tijd der verlossing reeds lang was aangebroken?

Israël behoort niet in Babel.

Israël behoort in Kanaan.

De Heere wilde Jacob weer doen nederliggen in de landpalen Zijner erve — en de Heere gaf de heidenen weer over om te gaan in eigene wegen, knielende voor hun eigen gfemaakte goden!

Maar zoo staan de zaken bij ons toch

niet?

Wij en onze Ned. Herv. (Geref.) kerk staan toch in een andere verhouding dan Israël tot Babel, na de dagen van Juda's verlossing?

Want immers, wij en onze kerk behooren bij elkander. Onze Geref. kerk is ons Vaderlijk erfdeel.

Ons volk en onze Geref. kerk zijn in de historie niet te scheiden.

En dus: wanneer onze Geref kerk zoo diep, zoo héél diep in de zonde gevallen is, dan is dat onze val, onze zonde, onze schande en onze ellende.

Dan past het ons voorzeker om met D, niël te spreken: „wij en onze Vaderen hebben gezondigd' (Dan. 9 : 5, 6.) Ps. 106 : 6; Want neen! wij staan niet als een vreemde tegenover den val, tegenover de zonde en ellende van onze kerk. > ( ; , |Uj I I'

Onze Ned. Herv. (Geref.) kerk is niet het land der heidenen gelijk, terwijl wij uit onze gevangenis, uitgaande na den bes;emden tijd Gods, vrij dan kunnen wonen in Kanaan.

Onze Ned. Herv. (Geref.) kerk, onze Vaderlandsche kerk, het erf onzer Vaderen is onze moeder.

Haar zonde is onze zonde.

Ons past over te nemen het woord van Jeremia 3 : 21 „wij liggen inj onze schaamte, en onze schande overdekt ons; want wij hebben tegen den Heere, onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stemme des Heeren, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest."

En neen! dan past niet, om in één adem te lezen: „vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar" (Jes. 52.)

Maar wel wat Jes. zegt in het 58ste hoofdstuk van zijne Godspraken: „de fundamenten, van geslacht tot geslacht ver woest, zult gij opirichten; en gij zult genaamd worden: die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen." (vrs. 12.)

Sluiten