Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den voet van een soort gewa.penden vrede, zooals thans bv in Frankrijk. Vérziende, bezadigde politici, zoowel van de linkerzijde (ik denk hier b.v. aan Thorbecke) als van de rechterzijde, hebben dit dan ook steeds gevoeld. Alleen de Jehu's zoowel links als rechts „dreven onzinniglijk" (2 Kon. 9:20).

Moge Frankrijk, waar men thans de „scheiding van Kerk en Staat" op de spits drijft en daardoor de Kerk in vele kerkgemeenten (assoeiations cultuelles) splitst en haar al zoo belet zich als eenheid, als „het lichaam van Christus" te openbaren, ons een baken in zee zijin, — Frankrijk, dat ongelukkige land, waaraan de zonde van de vervolging der Hugenoten en de verwerping der reformatie zoo zwaar wordt bezocht, het land dat zijne 'bevolking ziet uitsterven en opgaan in atheïsme en' cultus des vleesches! Hier is inderdaad het oud-Hoiiandsche spreekwoord van toepassing: „Wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich izacht."

Wij willen niet ontkennen, dat vroeger (vóór de revolutie) Kerk en Staat bij' ons zóó nauw verbonden waren, dat meermalen de Staat de Kerk in hare vrije beweging heeft belemmerd. Wat al bemoeienissen bv. bij> de beroeping van een predikant, waarop nog onlangs Dr. Callenbach heeft gewezen. Doch van dit alles weten wij thans niet meer. Wij kunnen er nu, gelukkig, als curiosa op terugzien. Het is in onzen nieuweren tijd gekomen tot een scherpere afbakening van het gebied zoowel van de Kerk als van den Staat. Er is eene duidelijke onderscheiding gekomen van beider rechtsgebied. Dit is zeker te prijzen. Doch waar de onderscheiding scherper is geworden, daar behoeft dan ook de volstrekte scheiding des te minder als iets begeerlijks .voorgesteld te worden en behoeft ook de geldelijke ondersteuning van de Kerk door den Staat als een soort „zilveren koord des te minder gevreesd te worden.

Zeker, ook wij: ontkennen niet het gevaar, dat vooral in eene te groote subsidie van de Kerk door den Staat schuilen kan. Wie al te krachtig leunt op den arm van den Staat, kan straks wel eens, als onverhoopt door ongunstig weêr en tij' die hulp op eens komt te vervallen, gansch hulpeloos daar komen te staan en van innerlijke zwakte versterven. Wij zouden dan ook nooit verder willen gaan 'dan een alterum tantum, d.w.z. dat de Staat de helft van het traktement betaalt, zoodat de andere helft door het particulier initiatief van de Kerk zelve worde gevonden, opdat juist dat particuliere initiatief niet worde gedood, maar opgewekt. Doch het zou verkeerd zijn om eene natuurlijke hulp, die geheel ligt in de natuurlijke orde der dingen en in de lijtn van Gods Woord, te willen ontberen, alleen, omdait er wel eens tijden konden komen, waarin door

Sluiten