Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

radicalen en socialistischen invloed de Kerk van allen steun kon worden beroofd.

Indien zulk een „oordeel" Gods over de Kerk komen moet, dan past het ons, mensdlien, niet om ons daarop van te voren als het ware in te richten, maar dan zullen wijl het ook als een „oordeel" hebben te dragen. En dan zal de Heere Zijne getrouwen ook wel door zulk een „oordeel" heenhelpen naar dat woord: „Wiji hebben ook in den weg Uwer gierichten U, o Heere, verwacht!" (Jes. 26 : 8). Een leerzaam voorbeeld hiervan geeft onze Kerk op het einde der 18e eeuw in den revolutietijd. Doch wij hebben steeds de normale verhoudingen, Gods „geopenbaarden wil," niet Gods „verborgen raad'", tot richtsnoer te stellen ook voor het kerkelijke leven. En tot die normale venhoudingen behoort, dat de Staat de Kerk met zijn machtigen arm daadwerkelijk, d.i. dus óók financieel steune, overeenkomstig het woord van den profeet: „Koningen zullen uwe voedsterheeren zijn" (Jes. 49:23).

Aan die normale verhouding nu, die in art. 36 onzer Nederland sche Geloofsbelijdenis uitgedrukt ligt. herinnert ook nog altijd art. 171 onzer Grondwet, waarvan wij nu de geschiedenis en beteekenis willen nagaan.

We kunnen niet nalaten, vóórdat we tot de eigenlijke bespreking van Art. 171 en zijne geschiedenis overgaan, nog een enkele schoone bladzijde uit de brochure van Ds. Sikkel over te nemen, waarin op zoo uitnemende wijze wordt aangewezen het zedelijk recht, dat de Kerk heeft, zoodra men haar namelijk als publieke instelling in hare eere erkent, op haar wettig deel van het brood, dat de aarde voortbrengt. Het is toch noodig, dat vooral ook deze principieel e, theoretische zijde der zaak goed worde ingezien. De leer beheerscht ten slotte (behalve in abnormale gevallen natuurlijk) het leven. De theorie beheerscht de practijk. Alleen wie principiëel vast staat, kan ook in de practijk de noodige kracht hebben om te handelen. Daarom is theoretische bezinning zoo broodnoodig voor allen, die in deze dingen tot leiding geroepen zijn. En juist in dit opzicht geeft de brochure van Ds. Sikkel inderdaad schoone en breede gezichtspunten.

De bedoelde bladzijde (bl. 27 v.v.) luidt aldus:

„Alle brood komt uit de aarde, uit de n a t u u r 1 ij; k e, stoffelijke ïwereld op; zelfs de koning wordt van den akker gevoed, en door plant en dier en delfstof gekleed. Van

Sluiten