Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de aarde, uit de Natuur, zijn alle stoffelijke middelen, waardoor ih e e 1 het menschelijike leven in heel zijn openharing en werkzaamheid sociaal [bestaan moet.

De Kerk maakt hier allerminst een uitzondering te midden van alle groepen en instellingen van menschelijk leven en arbeid. Zij ook moet sociaal bestaan door stoffelijke middelen, door wat de aarde oplevert.

Nu worden de stoffelijke goederen der aarde verkregen, door de aarde te bearbeiden en door haar voortbrengselen te verwerken. Handenarbeid in landbouw, veeteelt, jacht, visscherij1, nijverheid, brengen de stoffelijke schatten des levens uit de aarde en de wateren op en vermenigvuldigen ze. Die koophandel, de scheepvaart, het vervoer, verspreiden de stoffelijke producten over de aarde. In gjeld wordt de waardie der goederen vastgelegd en onder maat gebracht; de geldhandel komt hierdoor tot zijn exploiten en tot zijn gewin, en het kapitaal komt zoo tot maciht.

De Kerk staat buiten dit alles. Zij graaft niet en bouwt niet en houdt geen veestapel. Zij produceert niet en fabriceert niet en verhandelt niet. Ziji bescihikt niet over productiemiddelen, niet over den bodem, niet over de machine, niet over het geld. Zij staat geheel buiten den buit van het winnen der stoffelijke goederen.

In dit opzicht staat de Kerk niet geheel alleen.

Ook de Overheid in haar arbeid van regeering en rechtspraak staal buiten het stoffelijk gewin. Ook de Wetenschap produceert geen stoffelijke goederen en verhandelt ze niet. Ook de Kunst draagt tot op zekere hoogte hetzelfde lot.

Maar de Overheid heeft macht, dwingende macht; zij vordert en neemt naar haar goddelijk riecht de stoffelijke middelen, die ze behoeft. De Wetenschap stelt zich ten deele dienstbaar aan hel menschelijk leven in haar Scholen, haar geneeskunde en wiskunde, haar rechtskennis en natuuronderzoeking, haar ontdekkingen en haar uitvindingen, en ziji berekent daarvoor haar prijizen, zij schrijft daarvoor haar rekeningen; zij geeft aan den handel de vruchten van haar arbeid ook in boeken en geschriften en bedingt ook daarvoor een bete broods. En de Kuns't zet haar vermogen ook in geldelijke waarden, vaak in hooge geldelijke waarden, om, door zich in stoffelijke producten te verheerlijken of zich voor geld te doen genieten.

De Kerk staat echter ook weer buiten dit alles. Zij heeft geen macht om geld te vorderen en te nemen. Zij verkoopt niet en zij verhuurt niet; zij berekent voor haar arbeid geen prijzen; zij produceert niets stoffelijks en zij brengt niets aan

Sluiten