Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch zoo ib lijkt dan uit de geschiedenis van art 171 in verband met de wet van 1814 zonneklaar, dat de bedoeling van alinea 1 van art. 171 wel degelijik is geweest om historische, verkregen rechten voor goed te waarborgen, terwijl alleen op billijkheidsgronden in alinea 2 erbij wordt gevoegd: „Aan de leeraars, welke tot nog toe geen of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd of het bestaande vermeerderd ■worden."

Dit laatste kan geschieden. Juridisch-verplichtend, historisch-verplichtend is het dus niet. Alleen een zedelijlke plicht kan uit de hoofdgedachte van art. 36 der Geloofsbelijdenis, indien men die gedachte uitbreidt tot de Christelijke Kerk in hare verschillende formaties, worden afgeleid Doch een historisch recht bestaat hier nieit. Dit heeft alleen de Hervormde Kerk en de andere kerken, v o o r z o o v e r r e zij dit in 1815 genoten (art. 171 zegt: „thans, d.w.z. in 1815, door de onderscheidene godsdienstige gezindheden genoten wordende"). En dit was destijds voor de andere Kerken nog een betrekkelijk klein bedrag. Wat daarna als rijkstraktement meer is uitgekeerd geworden aan de verschillende Kerken, berust alleen op alinea 2 van art. 171.

Naar onze overtuiging is het zeer noodig, om op dit duidelijke verschil tusschen al. 1 en 2 van art. 171 onzer Grondwet telkens weer nadruk te leggen tegenover pogingen, die door revolutionnairgezinden van verschillende zijden met opzijzetting van alle historisch jbesef telkens worden aangewend om dit verschil te nivelleeren. Wie nadenkt, zal gevoelen, dat in dit verschil een stuk geschiedenis schuilt van heel ons volk, en wel een stuk geschiedenis, dat ons volk stempelt tot eene Protestantsche natie. Door bedoeld verschil wordt met name de historische positie van onze Ned. Herv. Kerk, als zijnde wel niet meer eene „bevoorrechte" Kerk in den vroegeren zin, maar dan toch wel degelijk eene Kerk met bijzondere, historische rechten, gehandhaafd.

Wie dus wensoht, dat onze Ned. Herv. Kerk hare historische positie als „volkskerk" te midden van ons volksleven behoude en nog weer als van ouds, hetgeen God geve, hare kracht voor ons volk doe gevoelen, zal wèl doen, als hiji op dit verschil tusschen al. 1 en 2 van art. 171 onzer Grondwet goed acht geeft en het handhaaft tegenover alle revolutionnairgezinden van welke zijde ook.

Doch indien dit verschil nu maar goed in het oog wordt gjehouden, indien dus de aloude, historische rechten worden gereserveerd, dan is er o.i. ook geen bezwaar om nu ook op den zedelijken plicht, in al. 2 geformuleerd, de

Sluiten