Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kerk nog verbinden en die, zooals Prof. Van Leeuwen [in Beschouwingen over art. 16 8] het opmerkt, vaak slechts van koper zijn, de vrijheid van den Staat of van de Kerk, meer dan wenschelijk is, belemmeren. Elke band is nog geen keten. Scheiding van Kerk en Staat wil volstrekt niet zeggen, dat de Staat alle betrekkingen met de Kerk heeft afgebroken. De begrootingen van eeredienst bestaan ook in die landen, waar het beginsel der scheiding zoo streng mogelijk is toegepast, en hoewel die Amerikaansche Unie als zoodanig geen budget van eeredienst kent, geven sommige Staten van de Unie toch geld voor kerkbouw, terwijl die Staten zich over het algemeen, meer dan de Staat der Nederlanden, met den

godsdienst bemoeien

„Nog geen 2 millioen voor den eeredienst, tegen bijna tien millioen voor onderwijs, is zeker geen groote som, vooral als men in aanmerking neemt, dat de inkomsten uit de verbeurdverklaarde kerkel ij ke goederen daartegenover staan

„Voor den Staat is die uitgaaf weinig drukkend en voor de Kerk is de subsidie niet belemmerend, daar aan de uitkeering der traktementen geene voorwaarde verbonden is. De Staat heeft bijt het werk der Kerkgenootschappen evengoed belang als biji het onderwijs. De Kerkgenootschappen vervullen, niet minder dan de School, eene sociale roeping en daarom zou de staatssubsidie voor den eeredienst ook dan nog gerechtvaardigd zijn, indien er nooit eenige verbeurdverklaring van kerkelijke goederen had plaats gehad."

Wiji hebben bij deze woorden van heit Nederlandsch Dagblad niet veel meer biji te voegen. Men ziet, hoezeer nog van verschillende zijden het hooge belang van subsidie ook van staatswege voor de uitoefening van den openbaren eeredienst op verschillende gronden noodzakelijk wordt geacht en wiji twijfelen dan ook niet, indien dit zoo gewichtige punt in verband met het nog steeds geldende art. 171 al. 2 onzer Grondwet door de toonaangevende mannen eens ernstig wordt besproken, dat men zeker tot eene gewenschte en bepaaldelijk ook voor de Ned. Hervormde Kerk heilzame overeenstemming zal komen. i

Intusschen mogen wij) niet nalaten er ten slotte nog ernstig op te wijzen, hoezeer onze Ned. Herv. Kerk in de 19de eeuw biji de Roomsche Kerk ten achteren is geraakt, doordat men niet genoegzaam op art. 171 al. 2 de hand heeft gelegd en doordat velen ook van orthodoxe zijde een tijdlang te zeer bekoord zijn geweest door de leuze eener radicale scheiding

Sluiten