Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter hand neemt; een geloovige kan niet altijd zitten en peinzen, hij moet ook voorwaarts. Welk een moed in de ziel: „ik verwacht den Heere"; en nog eenmaal: „mijne ziel verwacht"; ja nog eens: „ik hoop op Zijn Woord". „Den Heere verwachten" is in de Schrift zooveel als: den loop der dingen als uit Gods hand aanvaarden. Gij loopt dan uwe toekomst niet ongeduldig vooruit; gij hebt ook geen zondige vreeze over hetgeen u overkomen zal. Maar gij hebt de heerlijke gewisheid, dat de Heere, die het zoovele jaren reeds maakte, ook nu weer voor u zorgen zal. Gij begeert voortaan iederen morgen mond en hand open te doen, om het deel te ontvangen, dat God voor u bestemd heeft. Geloof geeft werk, hoorde ik eens een ouden vrome zeggen. Als de geloovige landman in dit nieuwe jaar zijnen akker niet bezaait — zal hij in den herfst zijnen oogst niet kunnen binnenhalen. Als gij, ouders, uwe kinderen niet op kinderlijke wijze tot God en tot Jezus tracht te brengen, zal God hun ongeloof aan u te huis zoeken. Als gij leeft in de zonde, zult gij naar ziel en lichaam ongelukkig worden — want de weg der goddeloozen zal vergaan. Maar wie den Heere verwacht, doet wat zijne hand vindt om te doen, en geeft verder de uitkomst over aan God. Bij het kruis zal de Heere ook de kracht geven, om het te dragen. Het Koninkrijk Gods zal komen, o misschien wel geheel anders dan wij meenen dat het komen moest — maar het zal komen, zooals het Gode behaagt. lederen dag zal des Heeren Woord nieuw zijn dengenen, die op Zijn weg willen gaan.

Dat uitzien naar God is eene groote zaak in het leven der geloovigen. De psalmist komt er gedurig op terug. Hij heeft zich zeiven geheel en al geworpen op den arm des Heeren. Dat is zijn sterkte en zijn uitzicht. In den donkeren, stormachtigen nacht stond eertijds de schildwacht op de muren der stad, om haar voor de vijanden te bewaken: o, welk een verlangen naar den dageraad was er dan soms; de nieuwe dag zou een eind maken aan zijn

Sluiten