Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Drie zaken hebben wij noodig te weten. Geen der drie is overtollig, om in den Christelijken troost te leven en te sterven. Of wat dunkt u, de kennis van onze zonde maakt ons ellendig, maar niet zalig; is het dan genoeg voor de eeuwigheid, dat wij haar alleen verstaan? O, zij is zoo onmisbaar. Zoolang wij onze zonden niet inzien en onze ellende niet kennen, zijn wij natuurlijk, blind en doof. De eerste stap op den weg des levens is, dat wij inzien, dat wij staan op den weg des doods. Wij moeten vóór alle dingen komen tot de belijdenis van David: „tegen U alleen heb ik gezondigd, o mijn God!" Wie dat inziet, bemerkt de breuke tusschen God en den mensch. Zulk een mensch vraagt niet meer naar recht of naar belooning van verdiensten. Hij weet het nu bij zich zeiven, dat er slechts een eeuwige omkoming zijn zou, indien God met hem in het recht wilde treden. Hij moet in Christus ook zijn Middelaar vinden, die Hem van al zijne zonden verlost!

Dit is het eerste, dat we moeten kennen. De geheele menschheid heeft gezondigd, en is aan de ellende onderworpen. De ellende is tijdelijk en eeuwig, onherstelbaar van onzen kant. En wanneer weten wij dat nu werkelijk? Als wij in het verborgene voor God belijden, dat wij ellendig, blind en naakt zijn. Als wij daar weenen over onze zonde voor Hem, die ze vergeven kan; als wij daar roepen uit de ellende tot Hem, die ons alleen uit den nood verlossen kan. God de Heere kan alleen aan blinden het gezicht geven. Niemand gevoelt den last der zonde in zijn volle zwaarte. Dan zouden wij reeds in dit leven zijn als de verlorenen. Maar het zal bij ons niet komen tot een roepen om hulp, wanneer wij niet inzien dat wij geholpen moeten worden. Wij zullen nooit zeggen : „Ai, red toch mijne ziel van 't verderf!" zoolang wij niet weten dat wij aan het verderf onderworpen zijn. Ach, hoe bedrogen zullen zij uitkomen, die spreken van verlossing, zonder van de ellende te gewagen; die Christus willen prediken, en de zonde niet kennen; die in Gods liefde willen roemen, zonder verzoend te zijn van Zijnen toorn! Is het dan niet noodig, dat wij

4

Sluiten